Het Luthers avondgebed – 2. In Nederland en de muziek

In het vorige nummer hebben we stilgestaan bij de tekst van wat wordt genoemd: het ‘luthers avondgebed’. Nu nog wat over de weg van dit gebed in Nederland en over de muziek waarop het kan worden gezongen.

 

We zijn in Nederland voor het eerst in aanraking gekomen met het ‘luthers avondgebed’ dankzij Willem Jan Kooiman (1903-1968). Kooiman is luthers predikant geweest in Wildervank (1927), Deventer (1929) en Amsterdam (1934-1945). Van 1945-1968 was hij hoogleraar aan het Evangelisch-Luthers Seminarium aan de Universiteit van Amsterdam.

Kooiman hield begin jaren vijftig een dagsluiting voor de NCRV-radio, waarin hij zijn vertaling van het avondgebed van Dieffenbach uitsprak. Er werd positief op gereageerd. Daarom werd de tekst opgenomen in de liedbundel Uit hart en mond (in 1953 uitgegeven door de Nederlands Lutherse Jeugdbond).[1]

Twintig jaar later werd de tekst breder bekend, omdat hij werd afgedrukt in het Liedboek voor de Kerken (1973), onder Lied 384. Als je dat vroegere liedboek nog hebt, zoek dan pagina 563 eens op. Dan zie je hoe in de manier waarop het gebed staat afgedrukt, is geprobeerd de structuur van de tekst zichtbaar te maken.

Zo raakte het ‘luthers avondgebed’ breed verspreid. Mensen gingen het gebed gebruiken ter afsluiting van bijvoorbeeld vergaderingen. Tevens kwam op zeker moment de vraag op of het gebed niet kon worden gezongen.

 

Twee predikanten, Hans Mudde (geb. 1939) en André F. Troost (geb. 1948), die beiden een eigen liedbundel hebben uitgebracht, hebben het gebed omgewerkt tot een lied dat kan worden gezongen. Anders dan de vertaling door Kooiman, zijn deze liederen strofisch van aard: ze zijn verdeeld in strofen, in coupletten.

De versie van Troost, die is te vinden in zijn in 1995 voor het eerst verschenen liedbundel Zingende gezegend, luidt:

 

Blijf bij ons Heer, wanneer de nacht zal komen –

nu wordt het stil en donker om ons heen.

Blijf bij ons, als ons alles wordt ontnomen,

Heer, laat uw kerk, uw schepping niet alleen.

 

Blijf ons nabij, al gaan wij eigen wegen;

blijf in uw goedheid naar ons toegewend

met uw genade, met uw troost en zegen,

blijf bij ons, Heer, in woord en sacrament.

 

Blijf ons nabij, als ons zal overkomen

de bange nacht vol twijfel, angst en nood,

blijf, als beproeving strijdt met onze dromen,

blijf, ook al dreigt de strenge, bitt’re dood.

 

Blijf bij ons Heer, hoever van huis wij zwerven,

blijf, wat dan ook ons van elkander scheidt,

blijf bij ons, Heer, in leven en in sterven,

blijf bij ons, Heer, in tijd en eeuwigheid.[2]

 

Dit lied is te zingen op de melodie van Psalm 12.

De versie van Mudde, die ik vind in zijn liedbundel Op de wijze van het lied (2005), luidt:

 

Blijf bij ons Heer, want het is avond

en komen zal weldra de nacht,

blijf bij uw kerk alom op aarde,

bij al wie op uw bijstand wacht.

 

Blijf bij ons allen aan de avond

van elke dag door U bereid

en aan de avond van het leven

en van de wereld mettertijd.

 

Blijf bij ons, Heer, met uw genade

en goedheid naar ons toegewend,

blijf bij ons met uw troost en zegen

en met uw Woord en Sacrament.

 

Blijf bij ons, als de nacht zal komen

van strijd, beproeving, angst en nood,

de nacht van aanvechting en twijfel

en van de strenge bittre dood.

 

Blijf bij ons, Heer, in al het duister

dat over ons wordt uitgespreid,

ja, blijf in leven en in sterven

bij ons, in tijd en eeuwigheid.[3]

 

In de liedbundel van Hans Mudde zijn twee melodieën (van Jaap Dragt en Jan van Rossem) opgenomen waarop het lied kan worden gezongen. Daarom heeft deze liedbundel de nummers 94A en 94B.

 

Mensen bleken echter ook gehecht aan de vertaling van Kooiman. Dat zal wel komen doordat deze vertaling, opgenomen als hij was in het Liedboek voor de Kerken, breed verspreid en bekend is geraakt. Wanneer je eens goed naar de teksten van Troost en Mudde kijkt, zie je al snel dat deze op de vertaling van Kooiman zijn gebaseerd.

Vanwege die gehechtheid – en ook omdat in kringen binnen de Protestantse Kerk werd en wordt gezocht naar liturgievernieuwing: niet meer alleen liederen in een aantal coupletten, maar ook andere manieren van zingen – is de vertaling van Kooiman ook op muziek gezet.

In 1998 verschenen er drie muzikale versies. Twee vinden we er in het eerste deel van het Dienstboek. Deze staan op naam van Wilhelm Löwe/lutherse werkgroep en van Wilhelm Löwe/Nico Vlaming.[4]

De derde verscheen in Deel 6 van de bundel Zingend geloven  (Deze bundeltjes kwamen uit als een aanvulling op het Liedboek voor de Kerken en waren bedoeld als bijdrage tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied). De melodie is van de rooms-katholieke priester en componist Jan Valkestijn (1928-2017).[5] Deze melodie is met een kleine wijziging als Lied 202 terechtgekomen in ons Liedboek. Door de kleine wijziging in de muziek valt de klemtoon niet meer op ‘ons’ – Blijf bij ons – maar op ‘Blijf’. In deze versie ontbreekt het ‘Heer’ aan het begin als aanspreking van God. Dat is natuurlijk niet erg. Als je begint met: ‘laten we bidden’, is voor iedereen duidelijk tot wie de woorden gericht zijn. Ook zijn er veel meer liederen waarin God niet met een woord als ‘Heer’ wordt aangesproken, die toch wel een gebed zijn.

 

Het was deze laatste versie – Lied 202 uit het Liedboek – die ik zong aan het slot van ons samenzijn op Goede Vrijdag. Waarom koos ik daarvoor? Allereerst vind ik het ‘luthers avondgebed’ een passende afsluiting van de dienst op Goede Vrijdag. In die dienst klonken Jezus’ woorden aan het kruis: ‘mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ (Mat. 27:46). Is het dan niet passend dat we aan het slot bidden om Gods nabijheid? En dat daarbij ook die woorden klinken over de nacht van twijfel en aanvechting, de nacht van de strenge bittere dood.

Maar waarom koos ik dan voor Lied 202 uit het Liedboek? En is dat niet ‘rooms’?! – zoals wel werd opgemerkt.

Eerst over de keuze. Afgelopen jaren heb ik het ‘luthers avondgebed’ vaker gebruikt op Goede Vrijdag. Maar dan las ik de tekst. Je kunt ook ‘spelen’ met liturgie. Daar houd ik wel van. Het hoeft niet altijd op dezelfde manier. Daarom was er dit jaar op Paasmorgen niet één preek, maar waren er twee korte overwegingen. En daarom ben ik ook rond Hemelvaartsdag en

 

Pinksteren afgeweken van wat gebruikelijk is. Toen ik bij de voorbereiding van de liturgie voor Goede Vrijdag de tekst van het ‘luthers avondgebed’ in het Liedboek zocht – ik ken de tekst nog niet foutloos uit het hoofd –, werd ik me ervan bewust dat het kan worden gezongen. Dat is weer eens wat anders dan het gebed lezen. Ik was me eerlijk gezegd niet ervan bewust dat het ‘luthers avondgebed’ op minstens zes manieren kan worden gezongen (Troost, Mudde, Dienstboek 2x, Zingend geloven, Liedboek). Ik kende alleen de versie uit het Liedboek.

En dan: is de versie die ik zong niet ‘rooms’?! Ik kan me voorstellen dat de associatie met de rooms-katholieke kerk opkwam. Dat komt omdat de melodie van Jan Valkestijn is geënt op het gregoriaans. Het gregoriaans is een manier van zingen met heel oude papieren: ontstaan vóór het jaar duizend van onze jaartelling. Meer dan vijf eeuwen dus, vóórdat de kerk scheurde in de rooms-katholieke en verscheidene protestantse tradities. Binnen de rooms-katholieke traditie is de gregoriaanse manier van zingen – een andere manier van zingen – beter bewaard dan in al die protestantse tradities in Nederland. Daarom kan ik me voorstellen dat bij Lied 202 de gedachte aan de rooms-katholieke traditie kan opkomen.

Is dat laatste een probleem? Ik zou eerlijk gezegd niet weten waarom. Zou Lied 202 in het Liedboek zijn opgenomen en zou de Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland dit Liedboek ‘met vreugde en dankbaarheid’ aan de gemeenten hebben aangeboden ‘als Psalm- en Gezangboek van de Protestantse Kerk’ als het wel een probleem zou zijn? En waarom zouden we toch altijd weer in hokjes denken? Willen we niet kerk voor het hele dorp zijn?

[1].    Ik ontleen dit aan: Hans Jansen, ‘Luthers Avondgebed – Lucas 24,29’, te vinden op de website: https://www.hans-jansen.com/?page=artikel&id=14.

[2].    André F. Troost, Zingende gezegend, Zoetermeer 20144, Lied 249.

[3].    Hans Mudde, Op de wijze van het lied. Liederen, Zoetermeer 2005, Lied 94A/94B.

[4].    Dienstboek. Een proeve. Schrift. Maaltijd. Gebed, Zoetermeer 1998, Lied 146 en 147 (pag. 749-752).

[5].    Zingend geloven. Bijdragen tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied, Deel 6, Zoetermeer 1998, Lied 110.