De kern van het verhaal

We zijn midden in de veertigdagentijd. Die periode van bezinning, van jezelf afvragen hoe het met je gaat. Ik schreef er in het vorige nummer over. Doe je nog iets in deze periode wat je de rest van het jaar niet doet? Lees je iets? Luister je naar muziek die past bij deze tijd van het jaar?

Nu wil ik de blik vooruit richten – de weken die voor ons liggen. Eerst nog het tweede deel van de veertigdagentijd. En dan komt het feest van Pasen. Dat feest van Pasen is de kern van de zaak. Of beter gezegd, met de titel van dit stukje: de kern van het verhaal.

Het verhaal – verhalen spelen een grote rol in ons leven. Wij allen hebben onze eigen verhalen en gezamenlijke verhalen. Met die eigen verhalen bedoel ik: verhalen over de gang van ons eigen leven. De dingen die we meemaken, de dingen die gebeuren. Omdat we allemaal andere dingen meemaken, heeft ieder haar of zijn eigen verhaal. Die verhalen vertellen we aan elkaar: moet je horen wat ik gisteren zag – en dan begin je erover te vertellen.

We hebben ook verhalen die we delen. Verhalen over het gezin waarin we zijn opgegroeid. Met je broer of je zus kun je er vaak goed over praten: weet je nog toen…. Of verhalen over wat er in het dorp is gebeurd. Die gaan over gedeelde ervaringen.

Door verhalen te vertellen houden we de herinneringen levend en leren we de dingen die er zijn gebeurd te duiden.

 Het christelijk geloof heeft ook eigen verhalen. We vinden ze in de Bijbel. Op allerlei manieren kom je met de verhalen in aanraking. Wanneer je in een christelijk gezin bent opgegroeid, heb je de verhalen van huis uit meegekregen. Toen ik opgroeide werd er bij ons thuis na de warme maaltijd altijd een verhaal uit de Bijbel voorgelezen. Ik hoorde ze ook op school. En in de kerk natuurlijk.

Het christelijk geloof zou je ook kunnen zien als één groot verhaal. Natuurlijk bestaat het uit allemaal kleinere verhalen. Maar die verhalen horen toch bij elkaar. Er loopt als het ware een rode draad doorheen, die ze verbindt.

Op die rode draad doel ik, wanneer ik denk aan de ‘kern’ van het verhaal. Daarmee bedoel ik: het hart, het kloppend hart, dat met alles in verbinding staat. Dat kloppende hart is het verhaal van Pasen. Zouden Jezus’ vriendinnen en vrienden niet op de morgen van Pasen de ervaring hebben opgedaan dat Jezus niet dood is maar leeft, dan zou er nooit de traditie van het christelijk geloof zijn ontstaan. Dan was de Bijbel zoals wij die nu kennen (de bundeling van Oude én Nieuwe Testament) er niet geweest. Dan was er geen christelijke kerk geweest. Dan had het dorp er anders uitgezien. Die drie kerkgebouwen die in de beginjaren van het dorp zijn gebouwd waren er dan nooit geweest. Hoe anders zouden onze levens er dan hebben uitgezien!

Daarom kijk ik elk jaar uit naar het feest van Pasen. En niet alleen naar Paasmorgen. Maar naar die reeks van diensten, die uitmondt in de Paasmorgendienst. In een paar diensten achter elkaar horen we elk jaar opnieuw de kern van het verhaal.

 Eerst Witte Donderdag (18 april). We zullen horen van een maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Jezus wast hun voeten. En bij die maaltijd heeft Jezus ook brood gebroken en uitgedeeld en woorden gesproken bij een beker met wijn. Daarom vieren we ook het avondmaal. We doen dat staande in een kring (en als je niet al die tijd kunt staan, dan zetten we natuurlijk een stoel voor je in de kring). De kring drukt uit hoe we bij elkaar horen. En de kring is ook open: iedereen is welkom.

 Een dag later, Goede Vrijdag, lezen we het verhaal van Jezus’ arrestatie, het verhoor, de kruisiging en zijn dood. We wisselen het af met liederen, een gedicht, muziek. We zijn stil. En we zullen bidden. Ik heb nooit veel gezegd in de diensten op Goede Vrijdag. Dat zal ik ook dit jaar niet doen. Het horen van het verhaal is genoeg.

In sommige kerken wordt aan het eind van de dienst op Goede Vrijdag de Paaskaars uitgeblazen. Daar heb ik moeite mee. Het is een krachtig ritueel: dan wordt het echt donker. Aan het kruis heeft Jezus uitgeroepen: ‘mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Dat is een ervaring die we kunnen delen. Ook wij kunnen het gevoel hebben dat God ons verlaten heeft. Maar ik kan niet geloven dat, hoe donker het in het verhaal van de levens van mensen ook kan worden, God echt weg is. Daarom mag van mij dat ene vlammetje blijven branden: als teken dat God er toch is.

 Op zaterdagavond bereiden we ons voor op het feest van Pasen. Vanouds is de dienst op de avond en in de nacht voor Pasen een bijzondere dienst. In de oude kerk nam men er uitgebreid de tijd voor. Er werden verhalen uit de Bijbel gelezen. Vaak waren dat twaalf verhalen. Ze kwamen allemaal uit het Oude Testament. Het zijn verhalen die ons kunnen helpen om de boodschap van Pasen te verstaan. Want in alle verhalen gaat het erom, hoe God toekomst schept. Bijvoorbeeld in het verhaal over de schepping. Maar ook in het verhaal over de doortocht door de Rode Zee. Daar gaat het dus om in het feest van Pasen: God schept toekomst – het laatste woord is niet aan de dood.

In de dienst op zaterdagavond zullen een paar van die oude lezingen klinken. En we zullen opnieuw opstaan van onze stoel en weer een kring vormen. Nu rond de doopvont. De Paasnacht was in de vroege kerk het moment waarop mensen werden gedoopt. Daarom zullen wij terugdenken aan onze eigen doop.

 En ten slotte volgt op Paasmorgen de kern van het verhaal: we lezen het opstandingsverhaal. En we zingen erover. Want over dingen die moeilijk te begrijpen of moeilijk te geloven zijn, kun je soms maar beter zingen.

De kinderen zijn deze veertigdagentijd al bezig om zich erop voor te bereiden. In de kindernevendienst zijn ze bezig om een tuin te maken. Een tuintje voor in de kerk. Dat vind ik mooi. Het doet me denken aan een zin uit een lied (in ons Liedboek nummer 978): een tuin bloeit rond het open graf.

 Welkom in de diensten rond Pasen!

 Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen