Bijbels, Bijbels

Ik ben van jongs af aan in aanraking gekomen met de Bijbel. Hoe jong ik was toen mij voor het eerst een Bijbelverhaal werd voorgelezen kan ik me niet herinneren. Evenmin welk verhaal dat was. Wel herinner ik me nog heel goed, hoe in het gezin waarin ik opgroeide elke warme maaltijd werd besloten met een stukje uit de Bijbel (waarna elk kind een ‘passende’ vraag kreeg over wat gelezen was – wat ik niet zo leuk vond).

Jarenlang was dat een kinderbijbel. Daarvan zijn er vele. Ik herinner me in elk geval dat in ons gezin jarenlang werd voorgelezen uit de kinderbijbel van Anne de Vries. Later werd deze ingeruild voor de kinderbijbel Woord voor woord van Karel Eykman en Bert Bouman. Die sprak me wat meer aan.

Tegenwoordig zijn er heel veel andere kinderbijbels. Die hebben allemaal zo hun eigen insteek en hun eigen verhaalprincipes. Die ontdek je al snel, door hetzelfde Bijbelverhaal uit verschillende kinderbijbels eens naast elkaar te leggen.

In de boekwinkel vinden we naast al die kinderbijbels nu een veelvoud aan Bijbelvertalingen. Natuurlijk is de aloude Statenvertaling nog verkrijgbaar. Deze verscheen voor het eerst in 1637. Er is geen boek dat een grotere invloed op de Nederlandse taal heeft gehad dan deze oude Statenvertaling. Daarnaast staat tegenwoordig ook de herziene Statenvertaling, waarin is geprobeerd de oude Statenvertaling meer bij de tijd te brengen.

Ik ben – later thuis, in de kerk en op catechisatie – opgegroeid met de NBG-vertaling van 1951. Toen ik theologie studeerde kreeg ik oog voor de verschillen in vertalingen. Als student kocht ik naast Statenvertaling en NBG-1951 daarom al snel de door de Katholieke Bijbelstichting uitgegeven Willibrordvertaling van 1975. Later tijdens mijn studie kwam er een nieuwe Willibrordvertaling (1995) uit. Ook die gebruikte ik wel.

De laatste jaren verschijnt de ene na de andere Bijbelvertaling. In de kerk lezen we meestal de Nieuwe Bijbelvertaling (2004). Af en toe, bijvoorbeeld bij doopdiensten, gebruik ik ook weleens de Bijbel in Gewone Taal (2014). Die is wat directer van taal. Bij de voorbereiding van een preek gebruik ik ook de Naardense Bijbel (2004; herziene versie 2014).

Al die Bijbelvertalingen laten zien dat de vertaling van de Bijbel nog niet zo’n eenvoudige zaak is. Elke vertaling is ook onmiddellijk een interpretatie. Wanneer je drie vertalingen naast elkaar legt – bijvoorbeeld Naardense Bijbel, Nieuwe Bijbelvertaling en NBG-1951 – ontdek je bovendien al heel snel waar de vertaalproblemen zitten.

Toen ik laatst in een boekhandel was, zag ik daar nog iets anders tussen de Bijbels staan: een ‘Mannenbijbel’ en een ‘Vrouwenbijbel’. Wat zullen nou hebben?, dacht ik. Een Bijbel speciaal voor mannen en een Bijbel speciaal voor vrouwen?

Beide Bijbels, de ‘Mannenbijbel’ en de ‘Vrouwenbijbel’, blijken de tekst van de herziene Statenvertaling te bevatten. Er even in bladerend ontdekte ik ook extra informatie en een soort meditaties. Ik heb er niet verder in gelezen. Dus veel kan ik er niet over zeggen. Maar mij bekroop toch wel het gevoel: is dit niet een commercialisering van de Bijbel?

Ik dacht dat de Bijbel voor iedereen is – zonder onderscheid. Dat er kinderbijbels bestaan vind ik een goede zaak. Maar Bijbels speciaal voor mannen of voor vrouwen, is dat nou nodig? Zouden we niet juist als vrouwen en mannen dezelfde Bijbel moeten lezen? En diezelfde Bijbel samen als mannen én vrouwen lezen? Kan zo niet juist de rijkdom van de Bijbel aan het licht komen?

Met hartelijke groeten, Dirk van Keulen