Category: Predikant

Geometrie van de liefde

Dirk van Keulen

ds. Dirk van Keulen

Een zomerdag, een paar jaar geleden. Ik loop over een smal, stoffig weggetje door Frankrijk. Ik kijk om me heen, geniet van een leeuwerik die zingend steeds hoger klimt. Ik maak een foto van een prachtige grote oranje vlinder. Later zal ik met behulp van mijn vlinderboekje ontdekken dat het een Keizersmantel was.

Ik loop door en denk ook even: ‘ik lijk wel gek, waarom lig ik niet met een mooi boek onder een boom langs een beekje nu het zo heet is’. In de zinderende hitte zie ik verderop een oud kerkje. Ik loop ernaar toe in de hoop in het gebouw wat verkoeling te vinden, misschien een slok water, en om de kerk van binnen te bekijken. Ik morrel aan de deur. Op slot! Teleurgesteld wil ik verder lopen als een oud vrouwtje met haar wandelstok haastig aan komt schuifelen. Ze begint te praten. Ik meen te begrijpen dat ze vraagt of ik wil bidden. Ik mompel een vaag antwoord – kan me ook niet zo goed redden in het Frans.

Uit haar schort tovert de vrouw een onwaarschijnlijk grote sleutel. Ze opent de deur en laat me binnen. Voorzichtig stap ik de drempel over. Krakend valt de deur achter me weer dicht. Het is aangenaam koel in de kerk. Stap voor stap loop ik heel langzaam door het middenpad naar voren. Ik neem de tijd om het gebouw op me te laten inwerken: het tegeltjespatroon op de vloer. De pilaren, de zuilen, die het gebouw groter doen lijken dan het in werkelijkheid is. Links en rechts voor een kleine kapel. Het koor met het altaar. Het licht valt binnen door kleine ramen hoog in de muren. Een crucifix hangt aan het plafond, precies op de plaats waar de lengte- en de breedtelijnen van de kerk elkaar kruisen. Tegen een van de pilaren een beeld van een heilige. Aan de muren links en rechts de kruiswegstaties. In de kapel rechts voorin een eenvoudig Mariabeeld.

De oude vrouw met haar schort en haar sleutel is verdwenen. Ik neem de tijd. Ik ga zitten op een van de voorste banken. Ik probeer tot me door te laten dringen, dat op deze plaats al eeuwenlang de liturgie wordt gevierd: bidden, bijbel lezen, zingen, doop, eucharistie. Hoeveel mensen zijn hier getrouwd? Hoeveel mensen zijn vanuit deze kerk naar hun laatste rustplaats gedragen? Ik probeer het stof van eeuwen op te snuiven en betreur het dat de oude vrouw is verdwenen. Ik had haar in mijn gebrekkige Frans best wat over haar kerkje willen vragen.

Mijn interesse in het kerkje werd gevoed door het boek dat ik die vakantie las: Geometrie van de liefde. Margaret Visser vertelt in dit boek het verhaal van de Sant’Agnese fuori le Mura (Sint-Agnes buiten de muren), de kerk gewijd aan de heilige Agnes, die aan het begin van de vierde eeuw op twaalfjarige leeftijd de marteldood stierf.

De auteur neemt ons mee naar Rome, op reis door het gebouw. Ze nodigt ons mee uit over de drempel te stappen en onze zintuigen open te stellen: narthex en plattegrond, schip, altaar, apsis, kapellen ter linker en ter rechterzijde, de omgeving van de kerk, crypte, toren en ten slotte het graf. Margaret Visser leert de lezers van haar boek kijken naar ruimte en structuur, naar licht en kleur, naar symbolen en patronen. Tegelijkertijd vertelt ze twee verhalen: het levensverhaal van Agnes (en van Emerentiana, die evenals Agnes de marteldood stierf en bij haar ligt begraven) én het verhaal van het kerkgebouw, waar al zo vele eeuwen de liturgie wordt gevierd.

Hoezeer beide verhalen in elkaar grijpen wordt duidelijk als we aan het slot van het boek bij het graf van de twee martelaressen staan: ‘Deze eenvoudige kerk voorziet in een plaats waar christenen elkaar kunnen ontmoeten en bidden, waar ze kunnen luisteren naar het woord van de Schrift, en samen de mysteriën van hun geloof kunnen vieren. Deze kerk herinnert iedereen aan zijn of haar vroegere vermoedens van het licht, en stelt een nieuwe benadering voor van wat het geweest is wat deze christelijke martelaressen en duizenden anderen heeft geïnspireerd. Het verhaal van de heilige Agnes is, net als het kerkgebouw zelf, een weerspiegeling van Christus. Zowel kerk als heilige weerkaatst, door de ruimtelijke werking en door het verhaal, het licht en het leven. “En het leven was het licht der mensen”, aldus de evangelist Johannes. “Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet gegrepen”’.

Voor wie geïnteresseerd is in oude kerkjes en liturgie is Geometrie van de liefde een werkelijk prachtig vakantieboek. Het scherpt je blik voor dingen waar je oog gewoonlijk aan voorbij ziet. Ik laat het boek deze zomer op mijn werktafel in de consistorie liggen. Ga het maar halen als je het wil lenen (leg wel even een briefje neer, zodat ik weet waar het boek is en anderen weten: jammer, er is iemand me voor geweest).

(n.a.v. Margaret Visser, Geometrie van de liefde. Ruimte, tijd, mysterie en betekenis in een gewone kerk, Amsterdam 2002).

Meeleven

Ik noem hier twee namen. De ene is die van Harke Tuinhof. Al weer zo lange tijd verzorgd in de Talma Hof. De andere is die van mevrouw Fokkens. Ze is ziek, naar het zich laat aanzien ernstig ziek. Reden voor zorg. Laten we hen dragen in onze gebeden!

Ik wens jullie allen een goede zomer toe!

Met hartelijke groeten,

 

Dirk van Keulen

‘Ken je mij?’

Dirk van Keulen

ds. Dirk van Keulen

Een paar maanden geleden – het was op de laatste zondag van het kerkelijk jaar – hadden we een dienst rond Psalm 139. We lazen de hele Psalm, afgewisseld door korte overdenkingen en liederen. Na de laatste overdenking luisterden we naar Trijntje Oosterhuis. Zij zong:

‘Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Het is het refrein van het lied dat haar vader Huub Oosterhuis maakte bij Psalm 139.

Via via hoorde ik, dat sommige gemeenteleden vragen hadden bij dit lied. De grootste vraag was wel: God wordt in dit lied met ‘jij’ aangesproken. Kan dat wel? Mag dat wel? Is dat niet oneerbiedig?

Om te beginnen: wij zijn het niet gewend om God met ‘je’ of met ‘jij’ aan te spreken. Onze oren zijn gewend aan: ‘U’ of ‘Gij’. Dat is natuurlijk prima. Het heeft ook te maken met onze taal: het Nederlands. Want wanneer we in Duitsland naar een kerkdienst gaan, en het Onze Vader wordt gebeden, dan ontdekken we dat in Duitstalige landen God met ‘je’ (Du/Dein) wordt aangesproken. De oude Duitse vertaling van het Onze Vader begint namelijk met:

 

‘Vater unser, der Du bist im Himmel,

geheiliget werde Dein Name’.

 

De sinds 1971 gangbare oecumenische versie luidt net iets anders:

 

‘Vater unser im Himmel,

geheiligt werde dein Name’.

Maar ook in deze vertaling blijft het: ‘dein Name’ – ‘jouw Naam’. Ik vind het wel bijzonder, dat juist terwijl men in Duitsland zeer terughoudend is in het tutoyeren, en men gewoonlijk ‘Sie’ (U) tegen elkaar zegt en men elkaar wel heel goed moet kennen, wil men ‘du’ (jij) gaan gebruiken, God wel met ‘Du’ wordt aangesproken.

Overigens had het maar een haar gescheeld, of ook wij in Nederland waren ermee opgegroeid God met ‘Jij’ of ‘Je’ aan te spreken. Hoe zit dat?

Het heeft te maken met oude Psalmberijmingen uit de tijd van de Reformatie en kort daarna. De oudste Psalmberijming in het Nederlands draagt de naam: ‘Souterliedekens’. Ze werd in 1540 uitgegeven. Kenmerkend voor de Souterliedekens is, dat de Psalmen zijn berijmd op de melodieën van populaire wereldse liedjes. Dat werd door lang niet iedereen op prijs gesteld. Daarom zijn de Souterliedekens aanvankelijk wel hier en daar gezongen, maar nooit algemeen binnen protestantse gemeenten in die tijd gebruikt.

Een van de leidende Nederlandse theologen uit die tijd, Petrus Datheen (1531-1588), maakte daarom een eigen Psalmberijming. Hij gebruikte daarvoor de melodieën, die door Clément Marot en Théodore de Bèze in Genève zijn gemaakt voor de Franse Psalmberijming (en die nu nog steeds in ons Liedboek staan). Datheens Psalmberijming zou van circa 1566-1773 het belangrijkste liedboek worden voor de protestanten in Nederland. Voor de vraag hoe het komt dat wij gewend zijn God met ‘U’ of ‘Gij’ aan te spreken, kunnen we bijvoorbeeld kijken naar zijn berijming van Psalm 139. Die begint met:

‘Gij hebt mij, Heer, gans’lijk doorgrond,

Gij weet mijn kracht voor dezen stond;

Hetzij dat ik zit ofte sta,

Heere, Gij slaat zulkes al ga;

Gij verstaat, Heer, door Uwe krachten,

Van verre alle mijn gedachten’.

 

We zien in dit couplet, dat Datheen God aanspreekt met ‘Gij’ en ‘U’.

Al snel na het uitkomen van Datheens Psalmberijming barstte ook de kritiek los. Het grootste bezwaar was dat tekst en melodie vaak niet met elkaar sporen. Daardoor vallen bij het zingen de klemtonen vaak precies op de verkeerde lettergrepen.

Filips van Marnix heer van St. Aldegonde (1540-1598) maakte daarom een nieuwe Psalmberijming, op de Franse melodieën die Datheen ook had gebruikt. Anders dan Datheen, die uitging van het Frans, baseerde Marnix zich op het Hebreeuws. De eerste druk van Marnix’ berijming verschijnt in 1580. Het eerste couplet in zijn berijming van Psalm 139 luidt (in oud-Nederlandse spelling):

 

‘Du hebst o Heer my wel doorgrondt,

End’ draegst mijns herten goet orkont.

Du kendst mijn sin verr’ ende nae,

T’sy dat ick liggh’ oft rechte stae,

Ick soud’ gantz niets kunnen versinnen,

Off du weetst mynen gront van binnen’.

Wat opvalt, is dat Marnix van St. Aldegonde God met ‘Du’ (of: ‘Dy’), de oud-Nederlandse vorm van ‘Jij’ aanspreekt.

Ondanks dat Marnix’ berijming niet de bezwaren had die tegen Datheens berijming bestonden, heeft men na veel discussie gekozen voor de berijming van Datheen. De argumenten waren wat triviaal: de mensen zijn net gewend aan de berijming van Datheen en hebben die in het hart gesloten; dan moeten we ze niet met een nieuwe berijming lastigvallen. En: de mensen hebben net een Psalmboek – en dat was kostbaar! – gekocht; we kunnen het niet maken om ze nu al weer een nieuw Psalmboek te laten kopen. En: ook de drukkers en de boekverkopers zitten niet op de berijming van Marnix te wachten, want ze hebben nog stapels van die van Datheen liggen. En er kleefden aan Marnix ook wat politieke problemen.

Tot 1773, wanneer de Statenberijming uitkomt, hebben de protestanten in Nederland daarom uit de berijming van Datheen gezongen. Was aan het eind van de zestiende eeuw de keuze echter toch gevallen op de berijming van Marnix – en veel heeft het niet gescheeld, want de synode van ’s-Gravenhage van 1586 wilde Marnix’ berijming op termijn wel invoeren – dan waren ook wij er net als de Duitsers aan gewend geraakt om God met ‘Du’ of ‘Dy’ aan te spreken. En dat was dan in de latere ontwikkeling van het Nederlands ‘Jij’ geworden.

Zo’n stukje geschiedenis laat zien, dat het aanspreken van God met: ‘U’, ‘Gij’ of ‘Jij’ ook samenhangt met bepaalde historische omstandigheden en ontwikkelingen. Ik ben zelf gewend aan: ‘Gij’ en ‘U’. Daarom zal ik in de kerkdienst God niet snel met ‘Je’ aanspreken. Daarbij speelt ook een rol, dat ik weet van de gevoelswaarde van woorden voor veel mensen. Toch vind ik het helemaal niet erg om God ook met ‘Je’ aan te spreken. Daarin kan een vertrouwdheid én een eerbied doorklinken, waar het precies in Psalm 139 om gaat (en die ik ook hoor in het refrein ‘Ken je mij’, waarmee ik begon). Als vanuit die eerbied en vertrouwdheid iemand ‘Je’ tegen God zegt, zou God dat dan erg vinden? Ik denk het niet.

Orgel

Het orgel achterin de kerk heeft veel mogelijkheden. Maar een deel was niet goed bruikbaar, omdat het orgel niet goed was afgesteld. Robert Knol weet hoe het werkt en heeft (in overleg met Ans Roubos) een middag met een laptop op de orgelbank zitten ‘sleutelen en stellen’. Het orgel klinkt nu weer veel beter. Hartelijk bedankt!

Meeleven

Ik hoorde dat Marissa Verbeek zich al een tijdje niet zo goed voelt. Onderzoek heeft uitgewezen wat er aan de hand is: ze heeft de ziekte van Pfeiffer. Dat verklaart de klachten. Het komt wel weer goed, maar het zal wel tijd nodig hebben. Sterkte Marissa, we leven met je mee!

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen

Load more