Categorie: Predikant

Twee vragen

Meestal schrijf ik op deze plaats een stukje over een thema. Iets dat me raakt, iets dat me bezig houdt, iets waarover ik nadenk.

Deze keer wil ik stilstaan bij twee vragen die ik kreeg.

Kerk en schooldienst

De eerste vraag werd me wel vijf keer gesteld na de kerk en schooldienst van vorige maand. Voor wie er niet was eerst iets over de kerk en schooldienst. Dat is een oude traditie: een keer per jaar een kerkdienst die in het teken staat van de samenwerking met de school. Dat was altijd De Rank. Sinds vorig jaar doet De Klipper ook mee. De kerk was vol: beneden en boven. Zelfs de achterwand eruit. De sfeer was ontspannen. Er zat vaart in de dienst. Alle groepen van de twee scholen hebben een bijdrage geleverd: zingen, bidden, tekeningen via de beamer en aan de muren, enz. Juf Anke Aben van De Klipper las de bijbellezing voor.

Thema van de dienst was: Samen de toekomst in! Natuurlijk snapt iedereen gelijk waar dat over gaat: de fusie van de twee scholen. Dat is iets wat heel het dorp raakt. Daarom lazen we een verhaal het bouwen van een huis (uit Matteüs 7:24-26). Doe je dat op zand of op stevige grond? Een toepasselijk verhaal over ‘De kinderbrug’ sloot daar goed bij aan. En ik hield een twee-minuten-minipreekje over bouwen op een stevig fundament.

Ik sloot het minipreekje af met een tekst die ik een paar jaar geleden ook eens in een kerk en schooldienst heb voorgelezen. Eerlijk gezegd weet ik niet wie de tekst schreef (iemand gaf hem me ooit). Maar de tekst is wel toepasselijk als het gaat om kerk en school en als wordt nagedacht over een toekomst met één gezamenlijke school. Na de dienst werd me door wel vijf mensen gevraagd: kun je die tekst in het kerkblad zetten? Ja, dat kan:

 

Een kind leert

Waarmee het leeft

Leeft een kind met kritiek,

Dan leert het veroordelen

Leeft een kind met vijandschap,

Dan leert het vechten

Leeft een kind met spot,

Dan leert het schuw zijn

Leeft een kind met schaamte,

Dan leert het zich schuldig voelen

Leeft een kind met verdraagzaamheid,

Dan leert het geduld

Leeft een kind met bemoediging,

Dan leert het vertrouwen

Leeft een kind met lof,

Dan leert het waarderen

Leeft een kind met veiligheid,

Dan leert het geloven

Leeft een kind met aanvaard zijn en met vriendschap,

Dan leert het wat liefde is en hoe God in de wereld werkzaam is…

 

Op zondag 1 juli volgend jaar zullen we extra kerk en schooldienst houden. Pastor Magda Schilder van de Emmaüs parochie zal dan voorgaan. Een dienst om naar uit te kijken!

Voorbedenboek

De tweede vraag ging over het voorbeden- of intentieboek, dat we op de startzondag in gebruik hebben genomen. Iemand vroeg me: “wat kan ik er in zetten? Ik heb bijvoorbeeld een kleinkind gekregen. Ben ik heel blij mee. Kan ik dat in het boek schrijven?”

Doel van het voorbedenboek is dat we ons bidden als gemeente meer tot een gezamenlijke verantwoordelijkheid maken. Wanneer we iets in het voorbedenboek schrijven nemen we actief deel aan het bidden van de gemeente. Daarom hebben veel gemeenten tegenwoordig zo’n boek.

Er komt nog iets bij: een voorbedenboek helpt ook in ons streven om kerk voor het hele dorp te zijn. Predikanten die ’s zondags voorgaan in de dienst wonen niet in het dorp. Dat betekent dat zij lang niet alles – of bijna helemaal niks… – weten wat er in het dorp speelt. Terwijl er wel dingen gebeuren die een plaats in de gebeden kunnen krijgen!

Daarom gaf ik als antwoord op de vraag naar het kleinkind en het voorbedenboek: ja, natuurlijk kun je dat erin schrijven. Want veel mensen uit het dorp weten dat je een kleinkind hebt gekregen en zijn er samen met jou blij mee! En er gebeuren ook andere dingen: mensen in het dorp worden ziek. Soms is het goed dan voor ze te bidden in de dienst op zondag. Kortom: er gebeurt veel in het dorp dat een plek kan krijgen in het voorbedenboek.

En natuurlijk kunnen ook dingen die ons dorp overstijgen een plaats krijgen in het voorbedenboek. Op de zondag na de kerk en schooldienst, toen hier in Luttelgeest de Taizé-dienst was – ook al zo’n bijzondere dienst! – moest ik voorgaan in Tollebeek. Ook daar is er een voorbedenboek. Op die zondag waren er twee dingen in geschreven: “voor vervolgde christenen” en “voor alle dochters”. Dat laatste had te maken met Anne Faber, die eerder die week was gevonden. Ik heb daarom in de dienst gebeden voor haar familie en voor alle dochters: dat zij onbezorgd op de fiets kunnen stappen.

Dus: heel veel kan een plaats in het voorbedenboek krijgen: dingen waar je blij mee bent, mensen over wie zorg is, in het dorp, buiten het dorp, enz.

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen.

 

Ubi Caritas

Aan het weer van de afgelopen weken hebben we het al gemerkt: de zomer is voorbij. De scholen zijn weer begonnen. En ook in de kerk gaat een nieuw seizoen van start. Op de drempel van dat nieuwe seizoen kijk ik nog even terug naar de zomer.

 

Ik heb de vakantie doorgebracht in België. Om precies te zijn: de Ardennen. Op straat en in de winkel wordt meestal Frans gesproken. Een taal die ik helaas niet goed beheers. Gelukkig deed een jongeman die als gids optrad bij ons bezoek aan de grotten van Remouchamps erg zijn best om ook in het Nederlands te vertellen, net als de banketbakker die enthousiast liet zien hoe hij zijn bonbons en andere chocolade traktaties maakt.

 

Tegenover de supermarkt in het kleine stadje waar we verbleven ligt de begraafplaats. Wanneer ik tijd heb, loop ik wel eens een begraafplaats op en loop ik een rondje langs de graven. Ik lees de namen, de jaartallen en de teksten. En ik kijk naar foto’s die op de graven staan. Het doet me altijd beseffen dat ieder mens uniek is.

 

Sommige begraafplaatsen zijn mooi. Zo was ik eerder dit jaar op de begraafplaats van Vlieland. Ik zag hoe de wind van zee en het schurende zand langzaam namen en teksten op de zerken doet vervagen. Maar ik zag ook, hoe er – net als in Luttelgeest – zorgvuldig wordt omgezien naar de laatste rustplaats van geliefden.

 

Nadat ik de boodschappen in de auto heb gezet, steek ik de weg over en loop de begraafplaats op. Ik weet niet wat ik zie. Een klein kapelletje in het midden van de begraafplaats is een bouwval. Er zijn stukken zeil met dikke touwen op het dak gebonden – blijkbaar om lekkage te voorkomen. De deur is op slot. Een raam is ingegooid. Links van het pad bevinden zich enkele graven uit de laatste jaren. Hier en daar staan er bloemen op. De rest van de begraafplaats is een ravage. Overal zijn stenen scheef gezakt en gebroken. Aan de rechterkant zie ik dat pal naast de begraafplaats de auto’s van de hulpdiensten zijn geparkeerd. Een van de brandweerwagen staat zover naar achteren dat zijn trekhaak bijna letterlijk boven een van de graven zweeft. Hoe bestaat het dat dat mogelijk is?!

 

Helemaal in de uiterste hoek aan het eind van de begraafplaats is nog een recent graf. Het blijkt de laatste rustplaats van een kind te zijn. En ik denk: waarom is voor deze plaats gekozen? Zodat degenen die het graf bezoeken met de rug naar de rest van de begraafplaats kunnen staan en even niet hoeven zien wat voor een treurige bouwval het is?

 

Er komt een lied in me op: ‘Ubi caritas et amor, ubi caritas, Deus ibi est’ – Waar vriendschap en liefde is, daar is God (Liedboek 568). De ervaring waar dat lied van spreekt kennen we allemaal. Gebaren van liefde en trouw, woorden van zorg en vriendschap, weerspiegelen iets van God. Dat zie ik ook terug in de zorgvuldige wijze waarop dat kindergraf aan het eind van de begraafplaats is onderhouden.

 

Maar hoe zit het met de rest van de begraafplaats? Die bouwval? (die ook weerspiegelt hoezeer dat stadje in verval is: veel winkels zijn gesloten; gebouwen worden niet meer onderhouden). Rond de verzakkende graven bespeur ik geen liefde en geen vriendschap meer, geen tekenen van trouw en zorg.

  

Is God daar dan niet meer? Nee, dat geloof ik niet. Wanneer menselijke liefde, trouw en zorg ontbreken, wil dat nog niet zeggen dat God afwezig zou zijn. Want Gods liefde en trouw zijn niet afhankelijk van onze menselijke liefde en trouw. In de kerk geloven we dat iedereen ertoe doet. Daarom zijn ook al die mensen die al lang vergeten zijn, geborgen in de handen van God.

 

Met hartelijke groeten

ds. Dirk van Keulen

Bidden (2) en het intentieboek

In het vorige nummer – wat een tijd geleden dat ik daarvoor een stukje schreef! – ging het over bidden: persoonlijk bidden en gemeenschappelijk bidden. Gemeenschappelijk bidden is een van de dingen die we altijd in onze kerkdiensten doen. Ik schreef dat we verschillende gebeden in de kerkdienst kunnen onderscheiden. Dan kunnen we bijvoorbeeld denken aan:

– consistoriegebed (voorafgaand aan de dienst)

– drempelgebed

– kyrie (met aansluitend gloria)

– schuldbelijdenis (met aansluitende genadeverkondiging)

– collectagebed

– gebed om verlichting met de Heilige Geest

– Voorbeden

– gebed over/voor de gaven

– tafelgebed of eucharistisch gebed

– gebed van de Heer: het Onze Vader

– postcommuniegebed

Dat zijn er een heleboel! De meeste doen bij wie geregeld naar de kerk gaat wel een belletje rinkelen: je hebt zo’n gebed weleens meegemaakt. De dominee die voorging gebruikte misschien de term: ‘we bidden ons kyriegebed’, of: ‘laten we bidden om verlichting met de Heilige Geest’.

Sommige gebeden doen de wenkbrauwen fronsen: collectagebed? – nee, nooit van gehoord. Is dat bij de collecte aan het eind van de dienst? Maar wat is dan het verschil met het gebed over of voor de gaven? Nou, collectagebed heeft een plaats veel eerder in de dienst en heeft niets met de inzameling van de gaven te maken.

Daar zie je al aan, dat al deze gebeden hun eigen plaats in de liturgie hebben en hun eigen kleur.

Ik kan komend jaar op deze plaats af en toe weleens wat schrijven over bepaalde onderdelen van de liturgie. Dan komen bijvoorbeeld sommige van deze gebeden een keer aan de orde. Maar ook kan ik antwoord geven op die vraag die een keer tijdens de voorbereiding van een dienst in de oecumenische commissie klonk: ‘moeten we niet eerst Votum en Groet?! – maar eeeh, wat is dat eigenlijk?’

Voorbeden

Nu nog iets over een van de gebeden uit dat rijtje waarmee ik begon: de voorbeden. Deze hebben een plaats aan het eind van de dienst. In elk geval na de preek (of overdenking, of overweging). Want in de preek kunnen gebedsintenties voor de voorbeden zich aandienen. Het maakt niet zoveel uit of je de voorbeden voor of na de inzameling van de gaven uitspreekt.

De voorbeden worden in de literatuur ook wel genoemd: het algemeen kerkgebed, of: het gebed voor alle nood van de christenheid – of liever: de nood van de wereld. De voorbeden hebben een bijbelse grondslag. Dan kun je bijvoorbeeld denken aan 1 Timoteüs 2:1v.: ‘Allereerst vraag ik dat er voor alle mensen gebeden wordt, dat er smeekbeden, voorbeden en dankgebeden voor hen worden uitgesproken. Bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid’.

Daarom zijn er vanouds in de voorbeden drie aandachtsvelden: de wereldwijde kerk, de overheden en mensen of groepen in nood. Alles kan in de voorbeden dus een plaats hebben. De actualiteit speelt daarin natuurlijk ook een rol.

De voorbeden kunnen worden afgewisseld door een gezongen acclamatie, bijvoorbeeld: Wij bidden U, verhoor ons, Heer (Liedboek 367h). Vaak wordt na de gezamenlijke voorbeden een moment van stilte ingelast: ruimte voor ieder om tot God uit te spreken wat een ander niet voor je zeggen kan. En na die stilte wordt dan meestal het Onze Vader gebeden.

Voorbedenboek / intentieboek

Hoe kom je nu als dominee aan de dingen waar je op een bepaalde zondag voor bidt? Zoals ik al schreef: dat kan voortkomen uit de preek. Natuurlijk denk je ook na over de gemeente: zijn er gemeenteleden waarvoor het passend is te bidden? En je volgt de actualiteit: wat gebeurt er veel waarvoor je kunt bidden!

Soms denk ik ook weleens: eigenlijk is het jammer, dat ik als dominee in mijn eentje zit te bedenken waar we bij stilstaan in de voorbeden. Is dat niet ook raar? De kerkdienst, de liturgie is toch van ons allemaal? Ja, als dominee ben je de voorganger. Maar daar is ook weleens kritiek op: het is allemaal zo’n eenrichtingsverkeer – een beetje inbreng van gemeenteleden zou mooi zijn.

In allerlei gemeenten – en dat was ook het geval in de rooms-katholieke kerk in ons dorp toen die nog open was! – bestaat daarom een voorbedenboek of intentieboek. Gemeenteleden kunnen als ze de kerk binnenkomen er iets inschrijven: iemand, of een groep mensen, of een land, of een situatie waarvoor kan worden gebeden. Tijdens de dienst, voorafgaand aan de voorbeden, wordt gelezen wat er die zondag in is geschreven, en dat krijgt dan een plaats in de voorbeden.

In de kerkenraadsvergadering van mei hebben we het erover gehad. En we hebben toen gezegd: laten we ook in de Schakel zo’n voorbeden of intentieboek invoeren. Vanaf de komende startzondag. Het boek komt, met een pen, te liggen op een tafel bij de ingang van de kerk. Het zal voor sommigen onder u misschien even wennen zijn. U mag eraan voorbijlopen zonder er iets in te schrijven: er zijn immers dingen waarvoor iemand anders de juiste woorden niet kan vinden. Maar voel u vrij – het hoeft natuurlijk niet elke zondag – er iets in te schrijven wanneer u dat wilt: het krijgt dan in de voorbeden een plaats. Wat zou het mooi zijn als zo de voorbeden meer iets gezamenlijks worden.

Met hartelijke groeten, Dirk van Keulen

Bidden (1)

Bidden is van alle tijden en eigen aan de meeste godsdiensten – in elk geval eigen aan de drie monotheïsche godsdiensten: jodendom – christendom – islam. Daarbij kun je onderscheid maken tussen persoonlijk en gemeenschappelijk gebed.

 

Persoonlijk gebed is iets van jou zelf. Jouw eigen gesprek met God -“ waar, hoe en wanneer je maar wil. Bidden kun je immers overal doen: binnen in je eigen huis, in je eigen kamer; of buiten zittend op een bankje aan het water, lopend door het bos, rijdend op de fiets of in de auto. Bij dat laatste komt het er natuurlijk wel op aan je ogen open te houden, want je wil onder het bidden geen ongeluk veroorzaken.

Je kunt je handen vouwen en je ogen sluiten. Maar je kunt je ogen ook open houden. Wanneer we in de kerk avondmaal vieren, en ons tafelgebed bidden, zeg ik meestal: we doen dat met open ogen, want er is ook iets te zien. Dan denk ik aan de instellingswoorden. Je kunt erover van gedachten wisselen of die instellingswoorden nu bij het tafelgebed horen of niet. Maar ik vind het belangrijk, dat je dan je ogen open hebt. Zodat je kunt zien dat het brood wordt gebroken en de beker wordt ingeschonken.

Je kunt in stilte, in gedachten met God praten. Je kunt ook hardop bidden. Of nog anders. Dan denk ik aan Hanna, de moeder van de profeet Samuël. Ze was heel verdrietig toen ze het heiligdom van de Heer in Silo binnenging om te bidden. Ze was in tranen. Ze bad in stilte. Maar haar lippen bewogen wel. Die vormden de woorden, die ze tot God richtte. De priester Eli dacht dat ze dronken was, maar dat was ze niet! (1 Samuël 1).

 

Dit verhaal over Hanna doet me beseffen, dat het jammer is dat zoveel kerken tegenwoordig het grootste deel van de week dicht zijn. De deur is bijna alle dagen op slot. Je kunt niet naar binnen als je wil bidden. In sommige streken van ons land kun je dan naar een kapelletje gaan. Dat is altijd open. Ik heb weleens iemand horen zeggen: we zouden in Luttelgeest ook een kapelletje moeten bouwen. Dat lijkt me een heel mooi plan!

 

De eerste christenen hebben zich in hun bidden waarschijnlijk laten leiden door wat ze gewend waren in de joodse traditie. De gewoonte was: bidden op de keerpunten van de dag (dus op een ‘biologisch’ ritme): wanneer de zon opkomt, wanneer de zon zijn hoogste punt heeft bereikt en wanneer de zon weer ondergaat. Een mooi voorbeeld daarvan uit de bijbel vinden we in Psalm 55:17-18:

 

17 En ik? Ik roep tot God,

de HEER zal mij redden.

18 In de avond, in de morgen, in de middag

klaag ik en zucht ik,

en hij hoort mijn stem.

 

Avond – morgen – middag. Een ander voorbeeld lezen we in het boek Daniël (6:11): Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn huis. In zijn boven vertrek had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was.

En nog een derde voorbeeld lezen we in het boek Handelingen (10:9). Petrus verblijft in het plaatsje Joppe. Omstreeks het middaguur gaat hij naar het dak om daar te bidden. Daar hoor je de gewoonte van het driemaal daags bidden in terug.

Wat doe jij? Ben je gewend om zelf te bidden?

 

We kunnen ook gemeenschappelijk bidden. Dat kunnen we allereerst thuis doen, bijvoorbeeld rond de maaltijd. We danken God voor het voedsel en voor het samenzijn, en vragen er een zegen over.

Gezamenlijk bidden doen we ook in de kerk, tijdens de dienst. In de loop van de geschiedenis zijn er verschillende (soorten) gebeden in de liturgie gegroeid. Over die gebeden wil ik de volgende keer iets schrijven.

 

 

Meeleven

Dit is het laatste nummer van De Schakel voor de zomerperiode begint. Voor sommigen een tijd om uit te rusten en er even op uit te gaan. Voor anderen een tijd waarin het werk gewoon doorgaat. Laten we als gemeenteleden ook in deze zomermaanden naar elkaar blijven omzien. En daarbij niet alleen denken aan de leden van onze gemeente, maar ook de blik naar buiten richten. Dat is belangrijk als we willen dat er een kerk in het dorp blijft.

 

Ik noem tot slot nu twee namen van gemeenteleden: Gerrit de Jong en Eline de Vries. Beiden zijn bezig met een traject met chemokuren. Veel sterkte toegewenst van deze plaats! Met jullie hopen we dat de kuren de gewenste uitkomst zullen hebben.

 

 

Met hartelijke groeten

en een goede zomerperiode toegewenst,

Ds. Dirk van Keulen

Domme discipelen?

De laatste keer dat ik in De Schakel voorging in de dienst – dat was op zondag 7 mei  stond er op het leesrooster een stukje uit het Johannesevangelie: Johannes 16:16-23a. Het maakt deel uit van een groter geheel, waaruit vaak wordt gelezen in de tijd tussen Pasen en Pinksteren.

Dat grotere geheel bestaat uit de hoofdstukken 13-17. Deze vijf hoofdstukken vormen samen een geheel. Er wordt verteld over een maaltijd. In hoofdstuk 13, bij het begin van de maaltijd, wast Jezus de voeten van zijn leerlingen. Daarna lezen we hoofdstukken lang over de gesprekken bij de maaltijd. Aan het eind  hoofdstuk 17 spreekt Jezus een gebed uit. Daarna volgt in hoofdstuk 18-21 de arrestatie, het verhoor, de kruisiging en de verhalen rond de opstanding. Hoofdstuk 13-17 vormen zo een scharnier tussen het eerste en het laatste deel van het evangelie.

In de overweging op zondag 7 mei zei ik: je zou die hoofdstukken 13-17 eigenlijk zelf eens een keer achter elkaar moeten doorlezen. Na de dienst zei een van de kerkgangers tegen me: denk je nou echt dat mensen dat gaan doen? Nou, om eerlijk te zijn: dat verwachtte ik eerlijk gezegd niet. Maar ik wil er nu in ons blad toch nog wel een keer voor pleiten. Studerend voor de preek in de dienst van 7 mei las ik zelf die vijf hoofdstukken wel achter elkaar door. Ik kreeg oog voor dingen die me niet zouden zijn opgevallen wanneer ik me had beperkt tot dat kleine stukje dat op het leesrooster stond.

Dat herinnerde me ook aan de jaren waarin ik theologie studeerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een van de docenten zei toen tegen ons: we zijn in de kerk gewend om altijd maar een klein stukje uit een bijbelboek te lezen. Maar waarom zou je een evangelie niet eens van voor naar achter doorlezen? Wanneer je dat doet, ga je dingen ontdekken die je niet ziet wanneer je altijd maar een klein stukje leest. Ik nam de raad ter harte en las alle vier evangeliën een keer van begin tot eind door. Eerst het Evangelie volgens Markus, omdat dat het meest kort is. In een middag lees je het helemaal door. Toen ik dat had gedaan, snapte ik wat die docent bedoelde: je gaat meer zien en ontdekken!

Daarom nog een keer: pak eens je bijbel, en lees de hoofdstukken 13-17 uit het Johannesevangelie achter elkaar door. Wat ga je dan ontdekken? Een paar voorbeelden. Het gaat om de laatste maaltijd voorafgaand aan Jezus’ arrestatie. Mattheüs, Markus en Lukas berichten ook over zo’n maaltijd. Zij vertellen dan onder andere over de instelling van het avondmaal. Dat vind je bij Johannes niet!

Je gaat ook ontdekken dat er niet zoveel gebeurt. Johannes concentreert zich op wat er wordt gezegd: de tafelgesprekken. Het is vooral Jezus die aan het woord is. Een paar keer zegt een van de leerlingen iets. Petrus in hoofdstuk 13. Grote woorden! We weten waar ze op zijn uitgelopen. Tomas, Filippus en de andere Judas komen ook aan het woord. En de leerlingen praten onderling. Wat dan opvalt is: ze snappen er niks van! Ze begrijpen niet waar Jezus over praat. Hoe kan dat? Ze reisden toch met Jezus mee en hadden vele keren naar hem geluisterd. Zijn ze echt zo dom? Dat is maar de vraag. Ik denk dat we hier te maken hebben met een literaire vormgeving; een literaire truc. Door de discipelen neer te zetten als niet-begrijpend, worden wij als lezers uitgedaagd om het wel te begrijpen! De leerlingen verstaan alles wat Jezus zegt letterlijk-fysiek. Wij worden uitgedaagd om net even verder te kijken: net voorbij het letterlijke. En dat past ook bij iets wat eerder in het Johannesevangelie werd gezegd: het moet je van boven worden gegeven (hoofdstuk 3).

Voorts ga je ontdekken, dat het Jezus’ afscheidstoespraak is. Of beter gezegd: toespraken, want het zijn er eigenlijk twee: hoofdstuk 14 en hoofdstuk 16 – eerste en tweede afscheidstoespraak. Hoofdstuk 15 is een intermezzo. Maar, de thematiek van die twee afscheidstoespraken ligt dicht tegen elkaar aan. Telkens weer gaat het erom dat Jezus teruggaat naar de Vader. Dat was een moeilijk thema binnen de gemeente waarvoor Johannes schreef. Die gemeente bevond zich in beroerde omstandigheden: er waren vervolgingen uitgebroken (hoofdstuk 16:20v.). Daarom gaat het in deze hoofdstukken ook een paar keer om verdriet. In die gemeente zullen sommigen hebben gezegd: zijn wij – vergeleken met de discipelen – niet veel slechter af nu Jezus niet meer onder ons is? En dan is het antwoord in deze hoofdstukken verrassend: nee, we zijn beter af! Door de komst van de Heilige Geest blijven we verbonden met Jezus en de Vader. Sterker: we worden mee opgenomen in die relatie. Daarom komt het aan op: blijven liefhebben.

 

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

Dorp en Kerk

Hoe vaak heb ik het al niet horen zeggen? En dan ook nog eens door zoveel verschillende mensen: ‘er moet wel een kerk in het dorp blijven!’ Die zin hoor ik dan met nadruk uitgesproken worden. Op zo’n manier alsof degene die de zin uitspreekt het nog eens extra onderstreept: dat meen ik echt hoor! Omdat ik het zo vaak heb horen zeggen, is mij wel duidelijk dat het verlangen dat er een kerk in het dorp blijft breed gedragen is.

Ik vind dat mooi om zo vaak te horen: ‘er moet wel een kerk in het dorp blijven!’ Dan gaat het me niet zozeer om de kerk als gebouw of als instituut. Kerk is nooit een doel op zich. Kerk is niet meer dan een middel – een middel dat kan helpen om je relatie met God vorm te geven en je geloof levend te houden. Maar daar komen ook weer andere dingen uit voort. En een van die dingen is dat de kerk ook gemeenschap vormend is.

In de kerk kom je elkaar tegen. Natuurlijk doe je dat ook op straat, en op de fiets en in de winkel. Maar in de kerk is dat toch net weer anders. Want in de kerk gaat het altijd om onze relatie met God. En om hoe wij voor Gods aangezicht leven. In onze samenleving is het heel gemakkelijk geworden om langs elkaar heen te leven. In de kerk leren we dat we niet alleen voor onszelf leven. Het komt erop aan dat we oog hebben voor elkaar.

Juist daarom is het zo belangrijk, dat er een kerk in het dorp blijft: een plek waar je elkaar ontmoet, waar je zoekt naar God, waar je de grote en de moeilijke vragen van je leven kunt stellen. Of er antwoorden zijn, is niet zeker. Maar alleen al het stellen van de vragen is waardevol. Niet zelden geldt: liever een goede vraag dan een antwoord.

Dat de kerk is het dorp blijft is dus belangrijk. De kerk – of beter gezegd: de mensen die samen die kerk vormen en vorm geven – draagt bij aan de gemeenschapszin, aan de samenhang in het dorp en aan het leefbaar houden van het dorp. De vraag is dan wel: wat is er nodig om die kerk in stand te houden?

Juist over die vraag is al een tijd veel te doen. In het dorpskerkenoverleg wordt erover nagedacht en worden er plannen gemaakt. U hebt er in het vorige nummer over kunnen lezen in de bijdrage van onze voorzitter Sylvia Koekoek. Zoveel is wel zeker: de dorpskerken zullen moeten gaan samenwerken. Dan is belangrijk, dat we de nadruk leggen op de kansen die samenwerking biedt.

Maar samenwerking tussen de dorpskerken is niet genoeg. Ook in Luttelgeest zijn er dingen nodig. Ik wil er nu twee noemen.

Het ene is dat we leren samenwerken. Ik heb al vaker in het kerkblad geschreven, dat ik niet geloof dat al die verschillende christelijke kerken Gods bedoeling is. We moeten de muren tussen kerken afbreken! De kerk wordt ook wel aangeduid als het lichaam van Christus. Hoe kan dat lichaam verdeeld zijn?

Daarom geldt: als we willen dat er een kerk in het dorp blijft, moeten we ernaar streven dat die kerk er voor iedereen is. Niet alleen voor degenen die toevallig binnen een protestants – vroeger: hervormd of gereformeerd – gezin zijn geboren. Dat betekent dan ook dat wij als protestantse gemeente Luttelgeest bereid moeten zijn ons open te stellen. Dat we christelijke gemeente Luttelgeest willen worden.

Er wordt onder de leden van de rooms-katholieke parochie op dit moment een enquête gehouden over de vraag wat er nodig is om zich meer thuis te kunnen voelen binnen de Schakel. Ik ben benieuwd wat daaruit komt. Ik kan me indenken dat allerlei dingen gemakkelijk te realiseren zijn. Zo zouden we wat in de rooms-katholieke kerk het ‘intentieboek’ heet kunnen neerleggen: wanneer je in de kerk komt, schrijf je erin wat belangrijk is om voor te bidden. En we zouden – het is maar een voorbeeld – tijdens diensten standaard de oecumenische versie van het Onze Vader kunnen bidden. En zo zijn er vast meer dingen te bedenken!

Het andere dat nodig is, is dat we zelf de schouders zetten onder het werk dat er ligt. Op allerlei momenten zie ik dat gebeuren. Zo hoorde ik dat op de jaarlijkse schoonmaak dag van de kerk er heel wat mensen zijn gekomen om te helpen. Prachtig!

Ik zie ook, dat het op dit moment lastig is om mensen te vinden die ambtsdrager willen worden. Natuurlijk kost dat tijd. Maar ook dan is het goed om te bedenken: wat een kans krijg je als je daarvoor wordt gevraagd! Huh?! Een kans? Ja: een kans! Juist door het uitvoeren van je ambtsdragerstaken krijg je de kans je geloof te verdiepen en nieuwe kanten te ontdekken aan je relatie met God. Daarom: denk ook aan die kans wanneer je wordt gevraagd ambtsdrager te worden.

Meeleven

Er is de afgelopen weken weer het nodige met gemeenteleden gebeurd. Ina Lageweg revalideert thuis na haar operatie. Gerrit de Jong gaat een moeilijke weg met chemokuren. Eline de Vries wordt op de dag dat ik dit schrijf geopereerd. Heel spannend! Annelies Boeve onderging een hernia operatie en moet deze weken heel veel liggen. Meneer Hoekstra, een van onze oudste gemeenteleden, kreeg een tia maar lijkt daar gelukkig goed van te herstellen. Allen veel sterkte toegewenst!

Met hartelijke groeten,   Dirk van Keulen

Pasen, doop en zegen

Wanneer dit nummer van ons kerkblad uitkomt, bevinden we ons midden in de veertigdagentijd. We leven toe naar Pasen. Dat feest vormt de kern van het christelijk geloof. Zouden Jezus’ volgelingen niet de overweldigende ervaring hebben opgedaan dat Jezus niet dood is maar leeft, dan was er nooit een christelijke kerk geweest. En dan waren wij dus ook nooit bij elkaar gekomen om het Paasfeest te vieren.

Dat vieren van het Paasfeest zullen we op zondag 16 april doen. Voor die zondag zullen we eerst nog samenkomen voor enkele andere vieringen.

Dan denk ik in de eerste plaats aan de resterende veertigdagenzondagen. De laatste daarvan is Palmzondag. Dat is een zondag die mij altijd een heel dubbel gevoel geeft. Aan de ene kant is er de vrolijkheid rond de intocht in Jeruzalem, gesymboliseerd in de Palmpasenstokken die de kinderen zullen maken. Aan de andere kant weten we waar we later in die week bij zullen stilstaan: ‘Heden Hosanna, morgen kruisig hem!’ (Liedboek, lied 556). Ook dat zie ik wel gesymboliseerd in de Palmpaasstok. De haan bovenop verwijst al naar de kraaiende haan uit het lijdensverhaal. En haal je alle versiering van de stok af en keer je hem om, dan heb je een zwaard.

Op Witte Donderdag vieren we staande in een grote kring het avondmaal. Voor wie niet goed kan blijven staan, zetten we natuurlijk een stoel in de kring. Een dag later, Goede Vrijdag, lezen we het verhaal van Jezus’ kruisiging en dood. We zingen daarbij enkele liederen en we zijn stil. Zaterdagavond komen we opnieuw bij elkaar. We beginnen in het donker. Het licht van Pasen komt binnen. We lezen het opstandingsverhaal. En we vormen met elkaar opnieuw een kring. Dit keer rond de doopvont. We gedenken onze eigen doop: teken van het grote Ja van God over ons leven. Er klinkt een belijdenis. En we zingen een Paaslied.

Paasmorgen vieren we dan het feest: het laatste woord is niet aan de dood! Opnieuw horen we het opstandingsevangelie. Dat kunnen we niet vaak genoeg horen. We zien de opgaande zon van het project van de kinderen schijnen. En we zingen Paasliederen.

En dan is er op Paasmorgen ook nog iets extra’s. Op 4 januari van dit jaar kregen Arjan en Elske Wubs een dochter: Eva. Zusje van Daniël en Samuël.

Arjan en Elske komen kerkelijk bezien uit een verschillende traditie. Elske is van protestantse komaf, Arjan is opgegroeid binnen de baptistische traditie.

Een van de verschillen tussen die twee tradities is dat wij de kinderdoop kennen, terwijl binnen de gemeenschap van de baptisten alleen volwassenen worden gedoopt. Hoe kun je daar nu mee omgaan? Hoe kun je aan beide tradities recht doen? Dat is belangrijk als je, zoals we in onze gemeente al vaak hebben gezegd, kerk voor het hele dorp wilt zijn! Het antwoord is niet zo moeilijk: we kiezen voor een middenweg. Op Paasmorgen nemen Elske en Arjan hun dochter mee naar de kerk. Eva zal dan een zegen te ontvangen. Ook die zegen is teken van het grote Ja van God. Net als bij de doop zal de vraag naar de geloofsopvoeding klinken. En net als bij de doop, zal ook de gemeente worden gevraagd de ouders daarin te steunen.

Komt u, kom jij ook het Paasfeest met ons meevieren? Je bent hartelijke welkom!

 

 Meeleven

Dinsdag 18 april is voor Theo en Akke de Boer (Schoolstraat 27) een hele bijzondere dag: ze zijn dan zestig jaar getrouwd. Dat is een mijlpaal om bij stil te staan en te vieren! Vanaf deze plaats: hartelijk gefeliciteerd!

In het vorige nummer schreef ik dat Ina Lageweg (H. de Craneweg 80F, Kuinre) opnieuw geopereerd moest worden. Dat is inmiddels gebeurd. Zij is nu begonnen aan haar revalidatie. Het lijkt erop, dat zij dat dit keer thuis mag doen.

Janke de Roos (Sportstraat 24) – in het vorige nummer schreef ik dat zij een hartoperatie had ondergaan – is weer thuis. Ook zij is bezig aan haar weg van herstel. Ze heeft er tijd voor nodig.

Gerrit de Jong (Oosterringweg 40A) is ongeveer halverwege zijn traject van chemokuren. Dat is een zwaar traject: elke keer opnieuw heel ziek worden om vervolgens een paar weken te kunnen aansterken.

Ten slotte noem ik Eline de Vries (Blankenhammerweg 4-I). Zij ondergaat deze weken een reeks medische onderzoeken. Heel spannend en onzeker.

Allen veel sterkte en moed toegewenst!

Met hartelijke groeten, Dirk van Keulen

Veertig dagen onderweg naar Pasen

Dit nummer van ons kerkblad komt uit in de week dat de veertigdagentijd begint. Zes weken lang leven we toe naar Pasen. Pasen is voor mij de kern van het christelijk geloof. Zouden Jezus’ volgelingen, zijn vriendinnen en vrienden, niet de overweldigende ervaring hebben opgedaan dat de dood het einde niet is, dan zou er geen christelijk geloof en geen christelijke kerk zijn geweest.

Zes weken leven we naar die dag toe waarop we het Paasfeest vieren. Tijdens de diensten komt dat tot uitdrukking in het veertigdagenproject met de kinderen. Gedurende de vier adventsweken van afgelopen jaar hing er een ster aan de balustrade van het orgel. Die ster kon dankzij een ingenieus mechanisme elke dienst even dalen om verder te worden versierd, om vervolgens weer op te stijgen. Datzelfde mechanisme gaan we nu opnieuw gebruiken. Maar dit keer is het niet een ster die aan het orgel hangt, maar een beeld van de opgaande zon – de zon die ons leven en de wereld verlicht en verwarmt. De zon ook als beeld hoe God zijn schepping vernieuwt. Daarover gaat ook het projectlied, dat we elke dienst (op een bekende melodie! – Lied 215: ‘Ontwaak, o mens, de dag breekt aan’) zullen zingen:

 

‘De zon komt op en geeft ons licht,

zo brengt de hemel een bericht.

Want na het donker van de nacht

komt altijd weer een nieuwe dag.

 

Sta op en kijk je ogen uit,

voel zachte warmte op je huid.

God ziet waar jij je best voor doet

en wat verkeerd gaat, maakt Hij goed.

 

O God, wilt U ons helpen om

te stralen als de ochtendzon?

Dan schijnt het deze wereld in:

het morgenlicht van het begin.’

 

Voor die morgen van Pasen ligt de periode van de veertigdagentijd. Bij dat getal veertig moet ik altijd denken aan de veertig jaren van het volk Israël in de woestijn. De zes weken zijn voor ons als het ware ook een soort woestijntijd. We kijken om ons heen en naar ons eigen leven en we bezinnen ons op waar we staan.

En dan treft het me, dat meerdere gemeenteleden de laatste tijd tegen me hebben gezegd: het wordt zo donker in de wereld. Die ervaring deel ik. We hadden al de barbarij in het Midden-Oosten (en vele andere plaatsen), die een grote vluchtelingenstroom met zich mee heeft gebracht. Daarnaast hebben we nu een reeks ‘leiders’, die met grote woorden roepen welke kant wij met elkaar op moeten. Wat opvalt in die grote woorden, is het denken in termen van ‘wij-en-zij’ en het benadrukken van het eigenbelang.

Soms wordt daarbij ook de ‘christelijke cultuur’ te hulp geroepen: die christelijke cultuur zou onder druk staan en beschermd moeten worden. Ik vind dat misbruik van het woord ‘christelijk’. Want de kerk is geen politieke partij. En waar we in de kerk voor proberen te staan, staat haaks op ‘eigenbelang’. De slogan voor de actie kerkbalans van dit jaar luidt niet voor niets: ‘Mijn kerk verbindt’. En bij dat verbinden is barmhartigheid een van de kernwoorden.

Daarom is het goed in de veertigdagentijd onszelf te bezinnen, en onszelf de vraag te stellen: waar staan wij? Hoe zijn wij navolgers van Jezus? Daarbij kan het behulpzaam zijn, bepaalde dingen voor een tijdje te laten staan. Met een oud woord heet dat: ‘vasten’. Dat kun je op veel manieren doen. Het kan gaan om bepaalde dingen die we eten of drinken. Maar het kan ook gaan om ingeslepen gewoonten – bijvoorbeeld rond sociale media. Door een paar weken ergens bewust vanaf te zien, ontstaat er ruimte voor iets anders.

Tegelijkertijd houden we deze weken ook het beeld van de opgaande zon voor ogen. Dat beeld houdt de hoop in ons levend. En we kunnen – denkend aan het beeld van de opgaande zon uit het veertigdagenproject van de kinderen – bidden met woorden uit Lied 967:

 

‘Zonne der gerechtigheid,

ga ons op in deze tijd,

opdat al wat leeft de dag

in uw kerk aanschouwen mag.

Erbarm u, Heer. […]

 

Zie heer, de verdeeldheid aan,

die geen mens ooit helen kan.

Breng, o herder, in God naam

uw verstrooide kudde saam.

Erbarm u, Heer.

 

Open overal de poort,

Heer, voor uw voortvarend woord,

win elk volk met stille kracht

voor uw rijk, – verdrijf de nacht!

Erbarm u, Heer.’

 

 

Meeleven

In ieder nummer van ons kerkblad kan ik hier namen noemen: gemeenteleden die bijzondere dingen meemaken, ziekte, langdurige ziekte, enz.

Dit keer noem ik twee namen. De eerste is Ina Lageweg. In het najaar van vorig jaar is ze met de fiets gevallen en brak haar heup. Een operatie en een lange revalidatieweg volgden. Ze mocht naar huis, maar hield pijn. Na enkele onderzoeken is nu duidelijk, dat de breuk niet goed is geheeld. Er is een nieuwe operatie noodzakelijk, die ergens in de komende weken zal plaatsvinden. Wat een tegenvaller! We wensen je kracht en moed toe!

En dan noem ik ook de naam van Janke de Roos. Vandaag, op de dag dat ik dit stukje moet inleveren, is zij aan het hart geopereerd. Een grote ingreep. We hopen dat de operatie voorspoedig is verlopen.

Met hartelijke groeten,

  1. Dirk van Keulen

Deel je leven

Op de grens van 2016-2017 wil ik graag even stilstaan bij het jaarthema van de Protestantse Kerk. Afgelopen jaar was dat thema: goede buren. We hebben daar een reeks mooie activiteiten omheen gezien. Dit jaar is gekozen voor een thema dat daar nauw bij aansluit: Deel je leven.

De eerste gedachte die bij dit thema bij me opkomt, is dat dit thema raakt aan de kern van het evangelie.

Immers, wanneer je denkt aan de boodschap die Jezus tijdens zijn leven op aarde predikte, dan is delen daar een van de kernwoorden van. En ook de profeten uit het Oude Testament hebben het vaak over delen gehad. Zij maakten machthebbers nogal eens verwijten dat zij onvoldoende oog hadden voor de noden van anderen – en bij die anderen werd dan vooral gedacht aan hen die geen weerstand hebben of kunnen bieden: de weduwen, de wezen en de vreemdelingen. Delen bleek toen en blijkt nu nog steeds voor velen moeilijk te zijn – vast als we zitten in structuren en aan bezit.

Door het thema zo te lezen, valt de nadruk op het werkwoord en kan het klinken als een opdracht: Deel je leven!

We kunnen ook de nadruk leggen op het laatste woord: deel je leven. Wanneer we dat doen, vatten we het jaarthema meer op als een uitnodiging. Leven omvat namelijk heel veel. Leven gaat niet op in geld en goed, maar leven is ademhalen en rondkijken, eten en luisteren, drinken en praten, stil zijn en muziek maken, zaaien en oogsten, slapen en werken, dromen en wonen, geven en nemen, lachen en huilen, denken en doen, enz., enz.

Kenmerkend voor leven is, dat er altijd wederkerigheid is: je gaat altijd met anderen om. Leven is altijd: leven-in-relaties. En delen maakt daar altijd deel van uit.

Het gaat in het jaarthema ook om jouw leven. Iedereen is verschillend. Iedereen heeft eigen gaven en talenten. Specifieke dingen die je leuk vindt of die je interesseren.

Deel je leven nodigt je uit erover na te denken wat jij anderen hebt te bieden. Dat is meer dan je denkt! Daarom is het goed dat we komend jaar op de groot huisbezoeken ook weer bij het jaarthema stilstaan.

Deel je leven stelt je ook de vraag: met wie deel jij? Vanzelfsprekend deel je met je gezin, met je familie en vrienden, met collega’s en (goede) buren, met degenen met wie je muziek maakt. Maar zonder dat je het door hebt, deel je soms je leven ook met anderen die je niet als eersten zou noemen.

Het thema Deel je leven nodigt uit ons eigen leven ook met God te delen. Bijvoorbeeld door te bidden. Maar bidden kunnen we op zoveel manieren doen! Bidden is niet alleen: handen samen, ogen dicht. Bidden kan ook heel goed met open ogen. Terwijl je ondertussen iets anders doet: wanneer je op je tractor over het land rijdt – ik noem maar wat natuurlijk.

God houdt ook van muziek.

Terwijl ik zo wat zit te mijmeren over het jaarthema, komt ook de kerk in mijn gedachten. Er wordt veel gesomberd over de kerk. Daar is God denk ik niet zo blij mee. Hij is blij met al het goede dat er is. En als ik de twee dames van de kerkvisitatie van de afgelopen maand mag geloven, gaat er in Luttelgeest best een heleboel goed.

God is – zo denk ik – ook niet zo blij met al die verschillende kerken en al die muren tussen kerken. Zo heeft Hij het toch niet bedoeld. Daarom doen we er goed aan om de muren tussen kerken af te breken. En hoe kunnen we dat beter doen, dan door ons leven – ook ons kerk-leven – te delen. Daarom vind ik de oecumenische traditie in ons dorp Luttelgeest ook zo belangrijk. Ik heb een paar keer meegedaan aan de voorbereiding van een oecumenische dienst. Elke keer heb ik dat als een verrijking ervaren: geloof en leven werden gedeeld. En elke keer dacht ik ook: wat staan we toch dicht bij elkaar!

Meeleven

In elke kerkelijke gemeente zijn er altijd zieken. Soms hoor ik er van, soms niet. Soms schrijf ik er hier op deze plaats iets over, soms niet – niet iedereen vindt het nodig dat hier iets wordt verteld.

Bendiks Haagsma missen we al een paar weken op de zondagen in de kerk. Hij is aan een heup geopereerd. Het gaat de goede kant op.

Gerrit en Hennie de Jong maken (opnieuw) een spannende tijd door. Was twee keer eerder Hennie degene die ziek was, nu is het Gerrit. Op het moment dat u dit leest, is hij geopereerd. We leven met jullie mee!

Welkom

Eind december was ik even op bezoek bij Arjan en Elske Wubs (Tuinstraat 26). Zij hebben zich met hun kinderen Daniël en Samuël (en de derde is op het moment dat ik dit schrijf nog op komst) ingeschreven bij onze gemeente. Hartelijk welkom!

Met hartelijke groeten,

Dirk van Keulen

Donkere dagen

Op de laatste zondag van oktober begint het voor mij: dan verzetten we de klok naar de wintertijd. Die ene nacht is wel lekker. De klok gaat een uur terug, zodat je een uur langer kunt slapen. De volgende dagen merk je goed het verschil. Vooral hoe snel het ’s middags al weer donker wordt. In de weken die volgen – richting de spreekwoordelijke donkere dagen voor kerstmis – wordt het steeds vroeger donker.

In de polder kan ik die donkere dagen goed merken. De wegen zijn veelal onverlicht. Ik ben gewend binnendoor terug te rijden naar mijn woonplaats Zwolle. Eerst de rechte weg met aan het eind de bocht naar rechts naar Marnesse. Linksaf op de rotonde. Dan na de tweede rotonde de lange rechte weg naar Vollenhove. Daarna de kronkeldijk richting Zwartsluis. Over de kaarsrechte dijk naar Hasselt en ten slotte het laatste stuk met de nieuwe weg en de nieuwe tunnel vlakbij Zwolle (Stadshagen).

Vooral op de kronkeldijk tussen Vollenhove en Zwartsluis mag je je aandacht geen moment laten verslappen. Wat is het er donker. Gelukkig geven kleine lichtjes aan waar de weg een bocht maakt.

Zo zijn het in letterlijke zin donkere dagen deze maand. Het zijn ook in figuurlijke zin donkere dagen. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar de laatste jaren blijven de eerste twee zinnen van het kerstevangelie in me rondgaan. Ook dit jaar is dat weer het geval:

‘In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië’ (Lukas 2:1-2).

Syrië! Land in oorlog. Burgeroorlog. Iedere keer weer zien we beelden over volledig kapot gebombardeerde steden. De barbarij lijkt geen grenzen te kennen. Elke keer weer horen we over nieuwe verschrikkingen. Op het moment dat ik dit schrijf, gaat het over gebombardeerde kinderziekenhuizen. Afschuwelijk.

Ik wil het wel heel hard uitroepen: dit moet stoppen! Houd daarmee op! Maar heeft het zin dat ik dat roep? Ik weet wel beter: Syrië is een speelbal van de machten. Internationale, politieke machten, die elk hun eigen belangen hebben. En de machten van het kwaad. Misschien kan ik beter schrijven: de Machten van het Kwaad – met hoofdletters. Daarmee bedoel ik dat die Machten ons overstijgen. Dat ze een eigen leven lijken te leiden. En met dat Kwaad bedoel ik Kwaad in ultieme zin. Soms probeer ik me een voorstelling te vormen hoe het is om in zo’n situatie te moeten leven. Hoe kun je er in leven? Of kan ik beter schrijven: overleven? Hoe is het om daarin als kind te moeten opgroeien?

Een paar zinnen verder in het kerstevangelie vertelt de engel aan de herders het goede nieuws: ‘vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren’. Het teken daarvan is een pasgeboren kind, gewikkeld in doeken. En dan wordt er gezongen: ‘Glorie aan God in de hoge en op aarde vrede in mensen van welbehagen’.

Hoe zou het zijn, om nu in Syrië het kerstevangelie te lezen, te horen? Zoals ik me er nauwelijks een voorstelling van kan maken hoe je daar in Syrië nu kunt leven, zo kan ik me ook nauwelijks een idee vormen hoe het kerstevangelie met die woorden van vrede daar nu klinkt. Schenkt het kerstevangelie licht in de duisternis? – kleine lichtjes misschien, net zoals op de kronkeldijk tussen Vollenhove of Zwartsluis? Of is het een groot licht, dat je bijna verblindt – omdat het kerstevangelie zo haaks op de dagelijkse barbaarse werkelijkheid staat? En geeft het mensen juist daardoor hoop op een toekomst?

Ik weet het niet.

Laten wij in elk geval bidden om licht in de donkere dagen van Syrië; om vrede en toekomst.

Met hartelijke groeten,

 

Dirk van Keulen

Laad meer