Categorie: Predikant

Van Epifanie naar Pasen

In het vorige nummer schreef ik over Epifanie, het feest van de verschijning van de Heer, dat vroeger in de christelijke kerk heel belangrijk was, maar nu is overvleugeld door Kerst. Na de epifaniëntijd breekt in het kerkelijk jaar al snel een andere tijd aan: de veertigdagentijd, die voorafgaat aan Pasen, het feest van de opstanding.

Die veertigdagen begint dit jaar op woensdag 14 februari. Die dag heet Aswoensdag. Binnen de protestantse traditie zijn we niet gewend op die dag bij elkaar te komen. In de rooms-katholieke traditie is dat anders. Al vele eeuwen komt men op die dag naar de kerk om uit de Bijbel te lezen, te bidden en te zingen. Bovendien bestaat de gelegenheid om naar voren te komen. De priester tekent dan met as een kruisje op je voorhoofd. Een bijzonder gebaar! Een keer, al weer jaren geleden, ben ik op Aswoensdag in een rooms-katholieke kerk een askruisje wezen halen. Op de fiets naar huis waaide de as er weer af. Toch voelde ik de hele avond dat kruisje op mijn voorhoofd. Het was voor mij een moment waarop het begin van de veertigdagentijd letterlijk werd gemarkeerd.

Ik denk weleens: wat zijn we als protestantse traditie in de loop van de tijd veel kwijtgeraakt. Een samenkomst op Aswoensdag hoort daarbij. Ik zou me goed voor kunnen stellen dat we zo’n samenkomst weer invoeren. Of ik me als dominee ook moet wagen aan het tekenen van askruisjes weet ik niet. Sommigen zouden dat wel mooi vinden: het is een heel lichamelijk en tastbaar teken. Anderen vinden het, denk ik, maar vreemd. Maar een samenkomst zou kunnen. Een lange dienst hoeft dat niet te zijn. Ik denk meer aan de vorm van een avondgebed.

Vanaf Aswoensdag bevinden we ons dan in de veertigdagentijd. Dat vind ik altijd een mooie periode. Het is een tijd van bezinning. Jaren geleden las ik eens de uitdrukking: een tijd om het tuintje van je ziel aan te harken. Een mooi beeld!

Binnen de rooms-katholieke traditie was dat ook de vastentijd. Dat is iets dat binnen de protestantse traditie de laatste jaren meer en meer wordt omhelsd. Mensen kiezen er bewust voor om bepaalde dingen een tijdje op rantsoen te zetten. Bijvoorbeeld alcohol, de televisie of sociale media. Misschien nog een of twee keer per dag op je telefoon even de belangrijkste berichten lezen. Maar niet de hele dag bij ieder geluidje onmiddellijk kijken wie er nu weer iets op facebook zet. Daarmee ontstaat er rust en ruimte voor iets anders. Iets dat je helpt bij het aanharken van dat zielentuintje.

Vorig jaar las ik in de veertigdagentijd elke dag een stukje in een boek over woestijnvaders. Voor dit jaar heb ik een ander boek uitgekozen. Het is geschreven door Kick Bras. Het heet: Oog in oog. Christelijke mystiek in woord en beeld. Een paar weken geleden werd het in Trouw uitgeroepen tot een van de beste theologische boeken van het jaar 2017. Toen heb ik het besteld en heb ik het al even in kunnen zien. Het boek ziet er mooi uit. Na een korte inleiding zijn er 55 hoofdstukjes. Elk hoofdstukje (twee tot drie bladzijden) begint met een afbeelding van iets uit de kunsten: schilderijen, beeldhouwwerk, glas-lood-ramen, architectuur, enz. Daar lezen we dan bij over vijf elementen: mystieke ervaring, Godsbeeld, Christusbeeld, mens- en wereldbeeld, of mystieke weg.

Ga jij ergens in vasten? En wat ga je doen met de tijd die dat schenkt? Ga je ook iets lezen? Of ga je iets anders doen? Elke dag een wandeling? Door weer en wind (ik schrijf dit stukje op donderdag 18 januari, terwijl de westerstorm tekeergaat; staat de schutting straks nog overeind?). Of elke dag met iemand contact opnemen: eenvoudig voor een praatje van mens tot mens? Of nog weer iets anders? Ik hoop dat je iets vindt dat bij jou past en dat de veertigdagentijd van dit jaar voor jou tot een waardevolle periode maakt.

Lectoren

Tijdens onze viering op kerstmorgen werden de lezingen uit de Bijbel verzorgd door Edith Vaandrager, Erik Boeve en Jan Hendrik Broos. Na de dienst zeiden veel mensen tegen me dat ze dat mooi vonden! Daar ben ik het helemaal mee eens. Sommigen suggereerden: kunnen we dat niet vaker doen? Ook daar ben ik het mee eens. De Bijbellezing(en) hoeven echt niet door de dominee te worden gedaan. In elke gemeente zijn er mensen die het leuk vinden om af en toe eens de lezing te doen. Daarom zijn er al in veel gemeente ‘lectoren’. Zo komen we ook wat af van de kerkdienst als een louter domineesgebeuren. We moeten maar eens kijken of en hoe we dat kunnen organiseren.

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen

Epifanie (Epifaniëntijd)

Dit nummer van ons kerkblad verschijnt begin januari. Laat ik daarom beginnen met u allen alle goeds toe te wensen voor het nieuw begonnen jaar. Laten we hopen en bidden, dat dit jaar goed nieuws zal brengen: een einde aan al die al jaren durende conflicten vol geweld en een groeiend bewustzijn onder de mensheid dat we anders met de aarde moeten omgaan.

Bij de titel van dit stukje kunnen, denk ik, velen van u zich weinig voorstellen. Epifanie? Epifaniëntijd?

Ik moest als kind altijd tweemaal per zondag mee naar de kerk: de gereformeerde Brugkerk in Veenendaal. Leuk vond ik dat niet: ik vond de diensten zó saai! Luisteren naar de lange preken deed ik meestal niet. Ik snapte er niks van en haakte binnen een minuut af. Dan telde ik uit hoeveel kleine vierkante raampjes een groot glas-in-lood raam bestond, en deed een oefening in hoofdrekenen: dat aantal vermenigvuldigen door het aantal grote ramen. De som was niet makkelijk.

Ik was blij toen in 1973 het Liedboek voor de Kerken werd ingevoerd. Daar kon je zo heerlijk in bladeren (al moest je om boze blikken te vermijden wel opletten dat je niet teveel ritselde met de bladzijden). Ik las onder de preek de korte biografische tekstjes achterin het Liedboek over de dichters en componisten van de gezangen. Al bladerend ontdekte ik ook een rubriek onder de gezangen onder de titel: ‘Epifaniëntijd’ (gezang 156-171). Ik had geen idee wat dat betekende, vroeg mijn vader ernaar maar hij had ook geen idee.

In ons nieuwe Liedboek vinden we opnieuw – ingeklemd tussen de kerstliederen en de liederen voor de veertigdagentijd – de rubriek ‘Epifaniëntijd’ (nu gezang 514-534). Wat wordt daar toch mee bedoeld?

Epifanie is een Grieks woord (ἐπιφάνεια) en betekent: verschijning. Het is verbonden met de datum: 6 januari. In de vroegchristelijke kerk werd op die datum het feest van Epifanie gevierd. Dat was een groot en belangrijk feest. Wij kunnen ons dat moeilijk voorstellen, maar het was belangrijker dan Kerst!

Het feest is ontstaan in het Oosten. Hoe het is ontstaan is niet helemaal duidelijk. Vanuit het Oosten heeft het zich verspreid over het Westen. Al sinds de vierde eeuw werd Epifanie ook op vele plaatsen in West-Europa gevierd. Daarom is het te simpel om – wat weleens gebeurt – te zeggen dat Epifanie het geboortefeest is van de Oosterse kerk en Kerst dat van de Westerse kerk.

Op Epifanie viert de gemeente de verschijning van de Heer. Daar horen vanouds drie thema’s bij. Aanvankelijk stond de gemeente bij die drie thema’s stil op 6 januari. Later zijn die thema’s uitgesmeerd over 6 januari en de weken daarna. Zo komen we aan de Epifaniëntijd als een periode in het kerkelijk jaar. De drie thema’s zijn:

  1. De aanbidding door de wijzen (magiërs, koningen) uit het Oosten (Driekoningen). Op 6 januari was daarom altijd de evangelielezing: Matteüs 2:1-12. Tegenwoordig is – behalve in de oosters-orthodoxe traditie – de datum van 6 januari losgelaten en is Epifanie verbonden aan de zondag tussen 2 en 8 januari.
  2. De doop van Jezus in de Jordaan. Vroeger stond men daarbij stil op 13 januari. Nu is de doop van Jezus in de Jordaan de evangelielezing voor de eerste zondag na Epifanie.
  3. Het eerste teken dat Jezus heeft verricht volgens het Evangelie van Johannes (2:1-12): de bruiloft te Kana. Nu verbonden met de tweede zondag na Epifanie.

Deze drie thema’s zien we terug in de liederen voor de Epifaniëntijd in ons Liedboek: de liederen 515-521 hebben de wijzen uit het Oosten en de lichtende ster boven de stal in Bethlehem tot thema (wanneer je de liederen eens opzoekt in het Liedboek, let dan op de bijzondere vorm van het mystieke Lied 518: elk couplet heeft de vorm van een kelk); in Lied 522-524 wordt de doop in de Jordaan bezongen; in Lied 525 gaat het over de bruiloft te Kana; in Lied 526 zien we alle drie thema’s samenkomen in één lied; en in 527-534 gaat het om thema’s verbonden met het grote thema van de verschijning van de Heer:

‘Uit uw hemel zonder grenzen

komt Gij tastend aan het licht,

met een naam en een gezicht

even weerloos als wij mensen’ (527:1)

Nogmaals: wij kunnen ons niet meer voorstellen, dat Epifanie ooit veel belangrijker was dan Kerst. Kerst heeft bij ons Epifanie naar de achtergrond verdrongen. Blijkbaar beleefden mensen aan Kerst meer dan aan Epifanie.

Dit nummer van ons kerkblad verschijnt behalve aan het begin van het nieuwe jaar dus ook in de Epifaniëntijd.

Met  hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

Taal zal alleen verwoesting zaaien?

Dit nummer van ons blad verschijnt in december. Via de vier weken van advent, waarin we telkens een nieuwe kaars aansteken, leven we toe naar het feest van kerst. Het feest waarin we stilstaan bij de geboorte van het kind dat de wereld vrede brengt – zoals de engelen zingen. De dagen vallen dit jaar wat ongelukkig: op zondag 24 december is het vierde advent. Eén dag later, op maandag, valt de eerste kerstdag. Elders in dit nummer leest u wanneer u naar de kerk kunt.

Op de eerste kerstdag lezen we natuurlijk het kerstevangelie uit Lukas 2. En we zullen kerstliederen zingen. In dit stukje wil ik even stilstaan bij een relatief nieuw kerstlied. Velen van u kennen het wel, want het wordt niet alleen met kerst gezongen. Ik bedoel het lied ‘Aan het licht’.

Het staat als nummer 601 in ons Liedboek. Dat is een hele opvallende plek: tussen de paasliederen! Dat kan natuurlijk ook. En het had ook een plek kunnen krijgen tussen de ochtendliederen. Maar de maker, Huub Oosterhuis, schreef het lied voor de viering van de kerstnacht. Eerst maar eens de tekst van het Lied:

Aan het licht

Licht dat ons aanstoot in de morgen,

voortijdig licht waarin wij staan

koud, één voor één, en ongeborgen,

licht overdek mij, vuur mij aan.

Dat ik niet uitval, dat wij allen

zo zwaar en droevig als wij zijn

niet uit elkaars genade vallen

en doelloos en onvindbaar zijn.

 

Licht, van mijn stad de stedehouder,

aanhoudend licht dat overwint.

Vaderlijk licht, steevaste schouder,

draag mij, ik ben jouw kijkend kind.

Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen

of ergens al de wereld daagt

waar mensen waardig leven mogen

en elk zijn naam in vrede draagt.

 

Alles zal zwichten en verwaaien

wat op het licht niet is geijkt.

Taal zal alleen verwoesting zaaien

en van ons doen geen daad beklijft.

Veelstemmig licht, om aan te horen

zolang ons hart nog slagen geeft.

Liefste der mensen, eerstgeboren,

licht, laatste woord van Hem die leeft.

 

De tekst van dit lied is er een om lang over na te denken en rustig in je hart te overwegen. Dan gaan de woorden spreken en krijgen ze voor jou betekenis. De tekst is niet overal even makkelijk te verstaan. De beelden tuimelen over elkaar heen.

Het helpt wel om te bedenken dat het lied is geschreven voor de viering van de kerstnacht. Dan is het overal donker. Middenin het duister van de nacht bezingt het lied het licht. Het licht dat de nacht doorbreekt. Het licht van de morgen die aanbreekt.

Het is het licht dat ons aanstoot in de morgen. Dat is een wonderlijk beeld. Hoe kan licht je aanstoten? Licht beschijnt je toch? Het licht van de zon schijnt je in de ogen en verwarmt je toch? Het lied zingt over het licht dat ons aanstoot. Dan denk ik aan iemand die je even voorzichtig bij je schouder pakt, wanneer je diep slaapt. Je voorzichtig wakker schudt, misschien wel uit een boze droom.

Maar dat diepe slapen gaat nog verder. Want het eerste couplet spreekt ook over zwaarte, over het koud hebben, over droefheid. Middenin het eerste couplet staan de woorden: ‘één voor één, en ongeborgen’. Dat gevoel kunnen we in ons leven hebben. Dat we er helemaal alleen voor staan. En ongeborgen. Bedreigd door de dingen die ons kunnen overvallen.

Het lied spreekt ook over doelloosheid: ook dat is een ervaring die we kunnen herkennen. Dat er momenten zijn dat het net als middenin de nacht donker om je heen in. Dat je geen licht ziet aan het eind van de tunnel. Dat je verdwaalt in moeilijke gedachten. Dat je jezelf de vraag stelt: wat is nou de zin van mijn leven? Waartoe ben ik er? Wat is mijn bestemming?

Maar het licht stoot je aan en vuurt je aan. Het wil je voeren naar een plaats waar je niet meer alleen bent. Naar een plaats waar je gevonden wordt.

Daar spreekt ook het tweede couplet over. Het gaat over aanhoudend licht dat overwint. Dat kan alleen maar het licht van God zijn. Vaderlijk licht is een ander beeld daarvoor. En waanneer je dit lied zingt, bidt je er ook om: draag mij! ik ben jouw kijkend kind.

Het tweede deel van de tweede strofe spreekt over die andere wereld, die met het kerstkind in de wereld komt. Een wereld waar mensen waardig leven mogen. Een wereld van vrede.

Wat we doen met kerst is kijken ‘of ergens al die wereld daagt’. Daarin hoor ik een ander lied doorklinken. Lied 444 – een Adventslied: ‘Nu daagt het in het Oosten, het licht schijnt overal. Hij komt de volken troosten, die eeuwig heersen zal’.

Het derde couplet biedt een boodschap van hoop: alles zal zwichten en verwaaien wat op het licht niet is geijkt. Die andere wereld van het tweede couplet zal komen. Want het licht zal het duister overwinnen.

En dan komen twee moeilijke regels: ‘Taal zal alleen verwoesting zaaien en van ons doen geen daad beklijft’. Dat zijn regels die ik – zo vaak als ik dit lied ook heb gezongen – nog steeds niet begrijp. Onze wereld mag vaak donker zijn. Maar is er dan geen enkele menselijke daad die beklijft, die duurzaam is? Er zijn toch daden van barmhartigheid? Er zijn toch daden van zorg? Er zijn toch daden van onbaatzuchtigheid? Er zijn toch daden van liefde in deze wereld? Daarvan kun je toch wel zeggen dat ze in stand blijven?

En dan die zin daarvoor: ‘Taal zal alleen verwoesting zaaien’. Ook dat is een zin die ik niet begrijp. Al helemaal niet uit de pen van een man als Oosterhuis die zulke prachtige taal heeft geschreven en gesproken. Ja, wanneer we om ons heen luisteren, horen we veel taal die verwoesting zaait. Maar er zijn toch woorden van waarde? Er zijn toch mensen die woorden van liefde tegen elkaar fluisteren? En zijn toch woorden die je optillen wanneer je bent gevallen? Hoe kun je dan zeggen dat taal alléén verwoesting zal zaaien? Dat begrijp ik niet goed.

Gelukkig is het laatste woord aan Hem die leeft, de Liefste der mensen, de eerstgeborene, die ook het Licht der mensen wordt genoemd.

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen

Twee vragen

Meestal schrijf ik op deze plaats een stukje over een thema. Iets dat me raakt, iets dat me bezig houdt, iets waarover ik nadenk.

Deze keer wil ik stilstaan bij twee vragen die ik kreeg.

Kerk en schooldienst

De eerste vraag werd me wel vijf keer gesteld na de kerk en schooldienst van vorige maand. Voor wie er niet was eerst iets over de kerk en schooldienst. Dat is een oude traditie: een keer per jaar een kerkdienst die in het teken staat van de samenwerking met de school. Dat was altijd De Rank. Sinds vorig jaar doet De Klipper ook mee. De kerk was vol: beneden en boven. Zelfs de achterwand eruit. De sfeer was ontspannen. Er zat vaart in de dienst. Alle groepen van de twee scholen hebben een bijdrage geleverd: zingen, bidden, tekeningen via de beamer en aan de muren, enz. Juf Anke Aben van De Klipper las de bijbellezing voor.

Thema van de dienst was: Samen de toekomst in! Natuurlijk snapt iedereen gelijk waar dat over gaat: de fusie van de twee scholen. Dat is iets wat heel het dorp raakt. Daarom lazen we een verhaal het bouwen van een huis (uit Matteüs 7:24-26). Doe je dat op zand of op stevige grond? Een toepasselijk verhaal over ‘De kinderbrug’ sloot daar goed bij aan. En ik hield een twee-minuten-minipreekje over bouwen op een stevig fundament.

Ik sloot het minipreekje af met een tekst die ik een paar jaar geleden ook eens in een kerk en schooldienst heb voorgelezen. Eerlijk gezegd weet ik niet wie de tekst schreef (iemand gaf hem me ooit). Maar de tekst is wel toepasselijk als het gaat om kerk en school en als wordt nagedacht over een toekomst met één gezamenlijke school. Na de dienst werd me door wel vijf mensen gevraagd: kun je die tekst in het kerkblad zetten? Ja, dat kan:

 

Een kind leert

Waarmee het leeft

Leeft een kind met kritiek,

Dan leert het veroordelen

Leeft een kind met vijandschap,

Dan leert het vechten

Leeft een kind met spot,

Dan leert het schuw zijn

Leeft een kind met schaamte,

Dan leert het zich schuldig voelen

Leeft een kind met verdraagzaamheid,

Dan leert het geduld

Leeft een kind met bemoediging,

Dan leert het vertrouwen

Leeft een kind met lof,

Dan leert het waarderen

Leeft een kind met veiligheid,

Dan leert het geloven

Leeft een kind met aanvaard zijn en met vriendschap,

Dan leert het wat liefde is en hoe God in de wereld werkzaam is…

 

Op zondag 1 juli volgend jaar zullen we extra kerk en schooldienst houden. Pastor Magda Schilder van de Emmaüs parochie zal dan voorgaan. Een dienst om naar uit te kijken!

Voorbedenboek

De tweede vraag ging over het voorbeden- of intentieboek, dat we op de startzondag in gebruik hebben genomen. Iemand vroeg me: “wat kan ik er in zetten? Ik heb bijvoorbeeld een kleinkind gekregen. Ben ik heel blij mee. Kan ik dat in het boek schrijven?”

Doel van het voorbedenboek is dat we ons bidden als gemeente meer tot een gezamenlijke verantwoordelijkheid maken. Wanneer we iets in het voorbedenboek schrijven nemen we actief deel aan het bidden van de gemeente. Daarom hebben veel gemeenten tegenwoordig zo’n boek.

Er komt nog iets bij: een voorbedenboek helpt ook in ons streven om kerk voor het hele dorp te zijn. Predikanten die ’s zondags voorgaan in de dienst wonen niet in het dorp. Dat betekent dat zij lang niet alles – of bijna helemaal niks… – weten wat er in het dorp speelt. Terwijl er wel dingen gebeuren die een plaats in de gebeden kunnen krijgen!

Daarom gaf ik als antwoord op de vraag naar het kleinkind en het voorbedenboek: ja, natuurlijk kun je dat erin schrijven. Want veel mensen uit het dorp weten dat je een kleinkind hebt gekregen en zijn er samen met jou blij mee! En er gebeuren ook andere dingen: mensen in het dorp worden ziek. Soms is het goed dan voor ze te bidden in de dienst op zondag. Kortom: er gebeurt veel in het dorp dat een plek kan krijgen in het voorbedenboek.

En natuurlijk kunnen ook dingen die ons dorp overstijgen een plaats krijgen in het voorbedenboek. Op de zondag na de kerk en schooldienst, toen hier in Luttelgeest de Taizé-dienst was – ook al zo’n bijzondere dienst! – moest ik voorgaan in Tollebeek. Ook daar is er een voorbedenboek. Op die zondag waren er twee dingen in geschreven: “voor vervolgde christenen” en “voor alle dochters”. Dat laatste had te maken met Anne Faber, die eerder die week was gevonden. Ik heb daarom in de dienst gebeden voor haar familie en voor alle dochters: dat zij onbezorgd op de fiets kunnen stappen.

Dus: heel veel kan een plaats in het voorbedenboek krijgen: dingen waar je blij mee bent, mensen over wie zorg is, in het dorp, buiten het dorp, enz.

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen.

 

Ubi Caritas

Aan het weer van de afgelopen weken hebben we het al gemerkt: de zomer is voorbij. De scholen zijn weer begonnen. En ook in de kerk gaat een nieuw seizoen van start. Op de drempel van dat nieuwe seizoen kijk ik nog even terug naar de zomer.

 

Ik heb de vakantie doorgebracht in België. Om precies te zijn: de Ardennen. Op straat en in de winkel wordt meestal Frans gesproken. Een taal die ik helaas niet goed beheers. Gelukkig deed een jongeman die als gids optrad bij ons bezoek aan de grotten van Remouchamps erg zijn best om ook in het Nederlands te vertellen, net als de banketbakker die enthousiast liet zien hoe hij zijn bonbons en andere chocolade traktaties maakt.

 

Tegenover de supermarkt in het kleine stadje waar we verbleven ligt de begraafplaats. Wanneer ik tijd heb, loop ik wel eens een begraafplaats op en loop ik een rondje langs de graven. Ik lees de namen, de jaartallen en de teksten. En ik kijk naar foto’s die op de graven staan. Het doet me altijd beseffen dat ieder mens uniek is.

 

Sommige begraafplaatsen zijn mooi. Zo was ik eerder dit jaar op de begraafplaats van Vlieland. Ik zag hoe de wind van zee en het schurende zand langzaam namen en teksten op de zerken doet vervagen. Maar ik zag ook, hoe er – net als in Luttelgeest – zorgvuldig wordt omgezien naar de laatste rustplaats van geliefden.

 

Nadat ik de boodschappen in de auto heb gezet, steek ik de weg over en loop de begraafplaats op. Ik weet niet wat ik zie. Een klein kapelletje in het midden van de begraafplaats is een bouwval. Er zijn stukken zeil met dikke touwen op het dak gebonden – blijkbaar om lekkage te voorkomen. De deur is op slot. Een raam is ingegooid. Links van het pad bevinden zich enkele graven uit de laatste jaren. Hier en daar staan er bloemen op. De rest van de begraafplaats is een ravage. Overal zijn stenen scheef gezakt en gebroken. Aan de rechterkant zie ik dat pal naast de begraafplaats de auto’s van de hulpdiensten zijn geparkeerd. Een van de brandweerwagen staat zover naar achteren dat zijn trekhaak bijna letterlijk boven een van de graven zweeft. Hoe bestaat het dat dat mogelijk is?!

 

Helemaal in de uiterste hoek aan het eind van de begraafplaats is nog een recent graf. Het blijkt de laatste rustplaats van een kind te zijn. En ik denk: waarom is voor deze plaats gekozen? Zodat degenen die het graf bezoeken met de rug naar de rest van de begraafplaats kunnen staan en even niet hoeven zien wat voor een treurige bouwval het is?

 

Er komt een lied in me op: ‘Ubi caritas et amor, ubi caritas, Deus ibi est’ – Waar vriendschap en liefde is, daar is God (Liedboek 568). De ervaring waar dat lied van spreekt kennen we allemaal. Gebaren van liefde en trouw, woorden van zorg en vriendschap, weerspiegelen iets van God. Dat zie ik ook terug in de zorgvuldige wijze waarop dat kindergraf aan het eind van de begraafplaats is onderhouden.

 

Maar hoe zit het met de rest van de begraafplaats? Die bouwval? (die ook weerspiegelt hoezeer dat stadje in verval is: veel winkels zijn gesloten; gebouwen worden niet meer onderhouden). Rond de verzakkende graven bespeur ik geen liefde en geen vriendschap meer, geen tekenen van trouw en zorg.

  

Is God daar dan niet meer? Nee, dat geloof ik niet. Wanneer menselijke liefde, trouw en zorg ontbreken, wil dat nog niet zeggen dat God afwezig zou zijn. Want Gods liefde en trouw zijn niet afhankelijk van onze menselijke liefde en trouw. In de kerk geloven we dat iedereen ertoe doet. Daarom zijn ook al die mensen die al lang vergeten zijn, geborgen in de handen van God.

 

Met hartelijke groeten

ds. Dirk van Keulen

Bidden (2) en het intentieboek

In het vorige nummer – wat een tijd geleden dat ik daarvoor een stukje schreef! – ging het over bidden: persoonlijk bidden en gemeenschappelijk bidden. Gemeenschappelijk bidden is een van de dingen die we altijd in onze kerkdiensten doen. Ik schreef dat we verschillende gebeden in de kerkdienst kunnen onderscheiden. Dan kunnen we bijvoorbeeld denken aan:

– consistoriegebed (voorafgaand aan de dienst)

– drempelgebed

– kyrie (met aansluitend gloria)

– schuldbelijdenis (met aansluitende genadeverkondiging)

– collectagebed

– gebed om verlichting met de Heilige Geest

– Voorbeden

– gebed over/voor de gaven

– tafelgebed of eucharistisch gebed

– gebed van de Heer: het Onze Vader

– postcommuniegebed

Dat zijn er een heleboel! De meeste doen bij wie geregeld naar de kerk gaat wel een belletje rinkelen: je hebt zo’n gebed weleens meegemaakt. De dominee die voorging gebruikte misschien de term: ‘we bidden ons kyriegebed’, of: ‘laten we bidden om verlichting met de Heilige Geest’.

Sommige gebeden doen de wenkbrauwen fronsen: collectagebed? – nee, nooit van gehoord. Is dat bij de collecte aan het eind van de dienst? Maar wat is dan het verschil met het gebed over of voor de gaven? Nou, collectagebed heeft een plaats veel eerder in de dienst en heeft niets met de inzameling van de gaven te maken.

Daar zie je al aan, dat al deze gebeden hun eigen plaats in de liturgie hebben en hun eigen kleur.

Ik kan komend jaar op deze plaats af en toe weleens wat schrijven over bepaalde onderdelen van de liturgie. Dan komen bijvoorbeeld sommige van deze gebeden een keer aan de orde. Maar ook kan ik antwoord geven op die vraag die een keer tijdens de voorbereiding van een dienst in de oecumenische commissie klonk: ‘moeten we niet eerst Votum en Groet?! – maar eeeh, wat is dat eigenlijk?’

Voorbeden

Nu nog iets over een van de gebeden uit dat rijtje waarmee ik begon: de voorbeden. Deze hebben een plaats aan het eind van de dienst. In elk geval na de preek (of overdenking, of overweging). Want in de preek kunnen gebedsintenties voor de voorbeden zich aandienen. Het maakt niet zoveel uit of je de voorbeden voor of na de inzameling van de gaven uitspreekt.

De voorbeden worden in de literatuur ook wel genoemd: het algemeen kerkgebed, of: het gebed voor alle nood van de christenheid – of liever: de nood van de wereld. De voorbeden hebben een bijbelse grondslag. Dan kun je bijvoorbeeld denken aan 1 Timoteüs 2:1v.: ‘Allereerst vraag ik dat er voor alle mensen gebeden wordt, dat er smeekbeden, voorbeden en dankgebeden voor hen worden uitgesproken. Bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid’.

Daarom zijn er vanouds in de voorbeden drie aandachtsvelden: de wereldwijde kerk, de overheden en mensen of groepen in nood. Alles kan in de voorbeden dus een plaats hebben. De actualiteit speelt daarin natuurlijk ook een rol.

De voorbeden kunnen worden afgewisseld door een gezongen acclamatie, bijvoorbeeld: Wij bidden U, verhoor ons, Heer (Liedboek 367h). Vaak wordt na de gezamenlijke voorbeden een moment van stilte ingelast: ruimte voor ieder om tot God uit te spreken wat een ander niet voor je zeggen kan. En na die stilte wordt dan meestal het Onze Vader gebeden.

Voorbedenboek / intentieboek

Hoe kom je nu als dominee aan de dingen waar je op een bepaalde zondag voor bidt? Zoals ik al schreef: dat kan voortkomen uit de preek. Natuurlijk denk je ook na over de gemeente: zijn er gemeenteleden waarvoor het passend is te bidden? En je volgt de actualiteit: wat gebeurt er veel waarvoor je kunt bidden!

Soms denk ik ook weleens: eigenlijk is het jammer, dat ik als dominee in mijn eentje zit te bedenken waar we bij stilstaan in de voorbeden. Is dat niet ook raar? De kerkdienst, de liturgie is toch van ons allemaal? Ja, als dominee ben je de voorganger. Maar daar is ook weleens kritiek op: het is allemaal zo’n eenrichtingsverkeer – een beetje inbreng van gemeenteleden zou mooi zijn.

In allerlei gemeenten – en dat was ook het geval in de rooms-katholieke kerk in ons dorp toen die nog open was! – bestaat daarom een voorbedenboek of intentieboek. Gemeenteleden kunnen als ze de kerk binnenkomen er iets inschrijven: iemand, of een groep mensen, of een land, of een situatie waarvoor kan worden gebeden. Tijdens de dienst, voorafgaand aan de voorbeden, wordt gelezen wat er die zondag in is geschreven, en dat krijgt dan een plaats in de voorbeden.

In de kerkenraadsvergadering van mei hebben we het erover gehad. En we hebben toen gezegd: laten we ook in de Schakel zo’n voorbeden of intentieboek invoeren. Vanaf de komende startzondag. Het boek komt, met een pen, te liggen op een tafel bij de ingang van de kerk. Het zal voor sommigen onder u misschien even wennen zijn. U mag eraan voorbijlopen zonder er iets in te schrijven: er zijn immers dingen waarvoor iemand anders de juiste woorden niet kan vinden. Maar voel u vrij – het hoeft natuurlijk niet elke zondag – er iets in te schrijven wanneer u dat wilt: het krijgt dan in de voorbeden een plaats. Wat zou het mooi zijn als zo de voorbeden meer iets gezamenlijks worden.

Met hartelijke groeten, Dirk van Keulen

Bidden (1)

Bidden is van alle tijden en eigen aan de meeste godsdiensten – in elk geval eigen aan de drie monotheïsche godsdiensten: jodendom – christendom – islam. Daarbij kun je onderscheid maken tussen persoonlijk en gemeenschappelijk gebed.

 

Persoonlijk gebed is iets van jou zelf. Jouw eigen gesprek met God -“ waar, hoe en wanneer je maar wil. Bidden kun je immers overal doen: binnen in je eigen huis, in je eigen kamer; of buiten zittend op een bankje aan het water, lopend door het bos, rijdend op de fiets of in de auto. Bij dat laatste komt het er natuurlijk wel op aan je ogen open te houden, want je wil onder het bidden geen ongeluk veroorzaken.

Je kunt je handen vouwen en je ogen sluiten. Maar je kunt je ogen ook open houden. Wanneer we in de kerk avondmaal vieren, en ons tafelgebed bidden, zeg ik meestal: we doen dat met open ogen, want er is ook iets te zien. Dan denk ik aan de instellingswoorden. Je kunt erover van gedachten wisselen of die instellingswoorden nu bij het tafelgebed horen of niet. Maar ik vind het belangrijk, dat je dan je ogen open hebt. Zodat je kunt zien dat het brood wordt gebroken en de beker wordt ingeschonken.

Je kunt in stilte, in gedachten met God praten. Je kunt ook hardop bidden. Of nog anders. Dan denk ik aan Hanna, de moeder van de profeet Samuël. Ze was heel verdrietig toen ze het heiligdom van de Heer in Silo binnenging om te bidden. Ze was in tranen. Ze bad in stilte. Maar haar lippen bewogen wel. Die vormden de woorden, die ze tot God richtte. De priester Eli dacht dat ze dronken was, maar dat was ze niet! (1 Samuël 1).

 

Dit verhaal over Hanna doet me beseffen, dat het jammer is dat zoveel kerken tegenwoordig het grootste deel van de week dicht zijn. De deur is bijna alle dagen op slot. Je kunt niet naar binnen als je wil bidden. In sommige streken van ons land kun je dan naar een kapelletje gaan. Dat is altijd open. Ik heb weleens iemand horen zeggen: we zouden in Luttelgeest ook een kapelletje moeten bouwen. Dat lijkt me een heel mooi plan!

 

De eerste christenen hebben zich in hun bidden waarschijnlijk laten leiden door wat ze gewend waren in de joodse traditie. De gewoonte was: bidden op de keerpunten van de dag (dus op een ‘biologisch’ ritme): wanneer de zon opkomt, wanneer de zon zijn hoogste punt heeft bereikt en wanneer de zon weer ondergaat. Een mooi voorbeeld daarvan uit de bijbel vinden we in Psalm 55:17-18:

 

17 En ik? Ik roep tot God,

de HEER zal mij redden.

18 In de avond, in de morgen, in de middag

klaag ik en zucht ik,

en hij hoort mijn stem.

 

Avond – morgen – middag. Een ander voorbeeld lezen we in het boek Daniël (6:11): Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn huis. In zijn boven vertrek had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was.

En nog een derde voorbeeld lezen we in het boek Handelingen (10:9). Petrus verblijft in het plaatsje Joppe. Omstreeks het middaguur gaat hij naar het dak om daar te bidden. Daar hoor je de gewoonte van het driemaal daags bidden in terug.

Wat doe jij? Ben je gewend om zelf te bidden?

 

We kunnen ook gemeenschappelijk bidden. Dat kunnen we allereerst thuis doen, bijvoorbeeld rond de maaltijd. We danken God voor het voedsel en voor het samenzijn, en vragen er een zegen over.

Gezamenlijk bidden doen we ook in de kerk, tijdens de dienst. In de loop van de geschiedenis zijn er verschillende (soorten) gebeden in de liturgie gegroeid. Over die gebeden wil ik de volgende keer iets schrijven.

 

 

Meeleven

Dit is het laatste nummer van De Schakel voor de zomerperiode begint. Voor sommigen een tijd om uit te rusten en er even op uit te gaan. Voor anderen een tijd waarin het werk gewoon doorgaat. Laten we als gemeenteleden ook in deze zomermaanden naar elkaar blijven omzien. En daarbij niet alleen denken aan de leden van onze gemeente, maar ook de blik naar buiten richten. Dat is belangrijk als we willen dat er een kerk in het dorp blijft.

 

Ik noem tot slot nu twee namen van gemeenteleden: Gerrit de Jong en Eline de Vries. Beiden zijn bezig met een traject met chemokuren. Veel sterkte toegewenst van deze plaats! Met jullie hopen we dat de kuren de gewenste uitkomst zullen hebben.

 

 

Met hartelijke groeten

en een goede zomerperiode toegewenst,

Ds. Dirk van Keulen

Domme discipelen?

De laatste keer dat ik in De Schakel voorging in de dienst – dat was op zondag 7 mei  stond er op het leesrooster een stukje uit het Johannesevangelie: Johannes 16:16-23a. Het maakt deel uit van een groter geheel, waaruit vaak wordt gelezen in de tijd tussen Pasen en Pinksteren.

Dat grotere geheel bestaat uit de hoofdstukken 13-17. Deze vijf hoofdstukken vormen samen een geheel. Er wordt verteld over een maaltijd. In hoofdstuk 13, bij het begin van de maaltijd, wast Jezus de voeten van zijn leerlingen. Daarna lezen we hoofdstukken lang over de gesprekken bij de maaltijd. Aan het eind  hoofdstuk 17 spreekt Jezus een gebed uit. Daarna volgt in hoofdstuk 18-21 de arrestatie, het verhoor, de kruisiging en de verhalen rond de opstanding. Hoofdstuk 13-17 vormen zo een scharnier tussen het eerste en het laatste deel van het evangelie.

In de overweging op zondag 7 mei zei ik: je zou die hoofdstukken 13-17 eigenlijk zelf eens een keer achter elkaar moeten doorlezen. Na de dienst zei een van de kerkgangers tegen me: denk je nou echt dat mensen dat gaan doen? Nou, om eerlijk te zijn: dat verwachtte ik eerlijk gezegd niet. Maar ik wil er nu in ons blad toch nog wel een keer voor pleiten. Studerend voor de preek in de dienst van 7 mei las ik zelf die vijf hoofdstukken wel achter elkaar door. Ik kreeg oog voor dingen die me niet zouden zijn opgevallen wanneer ik me had beperkt tot dat kleine stukje dat op het leesrooster stond.

Dat herinnerde me ook aan de jaren waarin ik theologie studeerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een van de docenten zei toen tegen ons: we zijn in de kerk gewend om altijd maar een klein stukje uit een bijbelboek te lezen. Maar waarom zou je een evangelie niet eens van voor naar achter doorlezen? Wanneer je dat doet, ga je dingen ontdekken die je niet ziet wanneer je altijd maar een klein stukje leest. Ik nam de raad ter harte en las alle vier evangeliën een keer van begin tot eind door. Eerst het Evangelie volgens Markus, omdat dat het meest kort is. In een middag lees je het helemaal door. Toen ik dat had gedaan, snapte ik wat die docent bedoelde: je gaat meer zien en ontdekken!

Daarom nog een keer: pak eens je bijbel, en lees de hoofdstukken 13-17 uit het Johannesevangelie achter elkaar door. Wat ga je dan ontdekken? Een paar voorbeelden. Het gaat om de laatste maaltijd voorafgaand aan Jezus’ arrestatie. Mattheüs, Markus en Lukas berichten ook over zo’n maaltijd. Zij vertellen dan onder andere over de instelling van het avondmaal. Dat vind je bij Johannes niet!

Je gaat ook ontdekken dat er niet zoveel gebeurt. Johannes concentreert zich op wat er wordt gezegd: de tafelgesprekken. Het is vooral Jezus die aan het woord is. Een paar keer zegt een van de leerlingen iets. Petrus in hoofdstuk 13. Grote woorden! We weten waar ze op zijn uitgelopen. Tomas, Filippus en de andere Judas komen ook aan het woord. En de leerlingen praten onderling. Wat dan opvalt is: ze snappen er niks van! Ze begrijpen niet waar Jezus over praat. Hoe kan dat? Ze reisden toch met Jezus mee en hadden vele keren naar hem geluisterd. Zijn ze echt zo dom? Dat is maar de vraag. Ik denk dat we hier te maken hebben met een literaire vormgeving; een literaire truc. Door de discipelen neer te zetten als niet-begrijpend, worden wij als lezers uitgedaagd om het wel te begrijpen! De leerlingen verstaan alles wat Jezus zegt letterlijk-fysiek. Wij worden uitgedaagd om net even verder te kijken: net voorbij het letterlijke. En dat past ook bij iets wat eerder in het Johannesevangelie werd gezegd: het moet je van boven worden gegeven (hoofdstuk 3).

Voorts ga je ontdekken, dat het Jezus’ afscheidstoespraak is. Of beter gezegd: toespraken, want het zijn er eigenlijk twee: hoofdstuk 14 en hoofdstuk 16 – eerste en tweede afscheidstoespraak. Hoofdstuk 15 is een intermezzo. Maar, de thematiek van die twee afscheidstoespraken ligt dicht tegen elkaar aan. Telkens weer gaat het erom dat Jezus teruggaat naar de Vader. Dat was een moeilijk thema binnen de gemeente waarvoor Johannes schreef. Die gemeente bevond zich in beroerde omstandigheden: er waren vervolgingen uitgebroken (hoofdstuk 16:20v.). Daarom gaat het in deze hoofdstukken ook een paar keer om verdriet. In die gemeente zullen sommigen hebben gezegd: zijn wij – vergeleken met de discipelen – niet veel slechter af nu Jezus niet meer onder ons is? En dan is het antwoord in deze hoofdstukken verrassend: nee, we zijn beter af! Door de komst van de Heilige Geest blijven we verbonden met Jezus en de Vader. Sterker: we worden mee opgenomen in die relatie. Daarom komt het aan op: blijven liefhebben.

 

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

Dorp en Kerk

Hoe vaak heb ik het al niet horen zeggen? En dan ook nog eens door zoveel verschillende mensen: ‘er moet wel een kerk in het dorp blijven!’ Die zin hoor ik dan met nadruk uitgesproken worden. Op zo’n manier alsof degene die de zin uitspreekt het nog eens extra onderstreept: dat meen ik echt hoor! Omdat ik het zo vaak heb horen zeggen, is mij wel duidelijk dat het verlangen dat er een kerk in het dorp blijft breed gedragen is.

Ik vind dat mooi om zo vaak te horen: ‘er moet wel een kerk in het dorp blijven!’ Dan gaat het me niet zozeer om de kerk als gebouw of als instituut. Kerk is nooit een doel op zich. Kerk is niet meer dan een middel – een middel dat kan helpen om je relatie met God vorm te geven en je geloof levend te houden. Maar daar komen ook weer andere dingen uit voort. En een van die dingen is dat de kerk ook gemeenschap vormend is.

In de kerk kom je elkaar tegen. Natuurlijk doe je dat ook op straat, en op de fiets en in de winkel. Maar in de kerk is dat toch net weer anders. Want in de kerk gaat het altijd om onze relatie met God. En om hoe wij voor Gods aangezicht leven. In onze samenleving is het heel gemakkelijk geworden om langs elkaar heen te leven. In de kerk leren we dat we niet alleen voor onszelf leven. Het komt erop aan dat we oog hebben voor elkaar.

Juist daarom is het zo belangrijk, dat er een kerk in het dorp blijft: een plek waar je elkaar ontmoet, waar je zoekt naar God, waar je de grote en de moeilijke vragen van je leven kunt stellen. Of er antwoorden zijn, is niet zeker. Maar alleen al het stellen van de vragen is waardevol. Niet zelden geldt: liever een goede vraag dan een antwoord.

Dat de kerk is het dorp blijft is dus belangrijk. De kerk – of beter gezegd: de mensen die samen die kerk vormen en vorm geven – draagt bij aan de gemeenschapszin, aan de samenhang in het dorp en aan het leefbaar houden van het dorp. De vraag is dan wel: wat is er nodig om die kerk in stand te houden?

Juist over die vraag is al een tijd veel te doen. In het dorpskerkenoverleg wordt erover nagedacht en worden er plannen gemaakt. U hebt er in het vorige nummer over kunnen lezen in de bijdrage van onze voorzitter Sylvia Koekoek. Zoveel is wel zeker: de dorpskerken zullen moeten gaan samenwerken. Dan is belangrijk, dat we de nadruk leggen op de kansen die samenwerking biedt.

Maar samenwerking tussen de dorpskerken is niet genoeg. Ook in Luttelgeest zijn er dingen nodig. Ik wil er nu twee noemen.

Het ene is dat we leren samenwerken. Ik heb al vaker in het kerkblad geschreven, dat ik niet geloof dat al die verschillende christelijke kerken Gods bedoeling is. We moeten de muren tussen kerken afbreken! De kerk wordt ook wel aangeduid als het lichaam van Christus. Hoe kan dat lichaam verdeeld zijn?

Daarom geldt: als we willen dat er een kerk in het dorp blijft, moeten we ernaar streven dat die kerk er voor iedereen is. Niet alleen voor degenen die toevallig binnen een protestants – vroeger: hervormd of gereformeerd – gezin zijn geboren. Dat betekent dan ook dat wij als protestantse gemeente Luttelgeest bereid moeten zijn ons open te stellen. Dat we christelijke gemeente Luttelgeest willen worden.

Er wordt onder de leden van de rooms-katholieke parochie op dit moment een enquête gehouden over de vraag wat er nodig is om zich meer thuis te kunnen voelen binnen de Schakel. Ik ben benieuwd wat daaruit komt. Ik kan me indenken dat allerlei dingen gemakkelijk te realiseren zijn. Zo zouden we wat in de rooms-katholieke kerk het ‘intentieboek’ heet kunnen neerleggen: wanneer je in de kerk komt, schrijf je erin wat belangrijk is om voor te bidden. En we zouden – het is maar een voorbeeld – tijdens diensten standaard de oecumenische versie van het Onze Vader kunnen bidden. En zo zijn er vast meer dingen te bedenken!

Het andere dat nodig is, is dat we zelf de schouders zetten onder het werk dat er ligt. Op allerlei momenten zie ik dat gebeuren. Zo hoorde ik dat op de jaarlijkse schoonmaak dag van de kerk er heel wat mensen zijn gekomen om te helpen. Prachtig!

Ik zie ook, dat het op dit moment lastig is om mensen te vinden die ambtsdrager willen worden. Natuurlijk kost dat tijd. Maar ook dan is het goed om te bedenken: wat een kans krijg je als je daarvoor wordt gevraagd! Huh?! Een kans? Ja: een kans! Juist door het uitvoeren van je ambtsdragerstaken krijg je de kans je geloof te verdiepen en nieuwe kanten te ontdekken aan je relatie met God. Daarom: denk ook aan die kans wanneer je wordt gevraagd ambtsdrager te worden.

Meeleven

Er is de afgelopen weken weer het nodige met gemeenteleden gebeurd. Ina Lageweg revalideert thuis na haar operatie. Gerrit de Jong gaat een moeilijke weg met chemokuren. Eline de Vries wordt op de dag dat ik dit schrijf geopereerd. Heel spannend! Annelies Boeve onderging een hernia operatie en moet deze weken heel veel liggen. Meneer Hoekstra, een van onze oudste gemeenteleden, kreeg een tia maar lijkt daar gelukkig goed van te herstellen. Allen veel sterkte toegewenst!

Met hartelijke groeten,   Dirk van Keulen

Pasen, doop en zegen

Wanneer dit nummer van ons kerkblad uitkomt, bevinden we ons midden in de veertigdagentijd. We leven toe naar Pasen. Dat feest vormt de kern van het christelijk geloof. Zouden Jezus’ volgelingen niet de overweldigende ervaring hebben opgedaan dat Jezus niet dood is maar leeft, dan was er nooit een christelijke kerk geweest. En dan waren wij dus ook nooit bij elkaar gekomen om het Paasfeest te vieren.

Dat vieren van het Paasfeest zullen we op zondag 16 april doen. Voor die zondag zullen we eerst nog samenkomen voor enkele andere vieringen.

Dan denk ik in de eerste plaats aan de resterende veertigdagenzondagen. De laatste daarvan is Palmzondag. Dat is een zondag die mij altijd een heel dubbel gevoel geeft. Aan de ene kant is er de vrolijkheid rond de intocht in Jeruzalem, gesymboliseerd in de Palmpasenstokken die de kinderen zullen maken. Aan de andere kant weten we waar we later in die week bij zullen stilstaan: ‘Heden Hosanna, morgen kruisig hem!’ (Liedboek, lied 556). Ook dat zie ik wel gesymboliseerd in de Palmpaasstok. De haan bovenop verwijst al naar de kraaiende haan uit het lijdensverhaal. En haal je alle versiering van de stok af en keer je hem om, dan heb je een zwaard.

Op Witte Donderdag vieren we staande in een grote kring het avondmaal. Voor wie niet goed kan blijven staan, zetten we natuurlijk een stoel in de kring. Een dag later, Goede Vrijdag, lezen we het verhaal van Jezus’ kruisiging en dood. We zingen daarbij enkele liederen en we zijn stil. Zaterdagavond komen we opnieuw bij elkaar. We beginnen in het donker. Het licht van Pasen komt binnen. We lezen het opstandingsverhaal. En we vormen met elkaar opnieuw een kring. Dit keer rond de doopvont. We gedenken onze eigen doop: teken van het grote Ja van God over ons leven. Er klinkt een belijdenis. En we zingen een Paaslied.

Paasmorgen vieren we dan het feest: het laatste woord is niet aan de dood! Opnieuw horen we het opstandingsevangelie. Dat kunnen we niet vaak genoeg horen. We zien de opgaande zon van het project van de kinderen schijnen. En we zingen Paasliederen.

En dan is er op Paasmorgen ook nog iets extra’s. Op 4 januari van dit jaar kregen Arjan en Elske Wubs een dochter: Eva. Zusje van Daniël en Samuël.

Arjan en Elske komen kerkelijk bezien uit een verschillende traditie. Elske is van protestantse komaf, Arjan is opgegroeid binnen de baptistische traditie.

Een van de verschillen tussen die twee tradities is dat wij de kinderdoop kennen, terwijl binnen de gemeenschap van de baptisten alleen volwassenen worden gedoopt. Hoe kun je daar nu mee omgaan? Hoe kun je aan beide tradities recht doen? Dat is belangrijk als je, zoals we in onze gemeente al vaak hebben gezegd, kerk voor het hele dorp wilt zijn! Het antwoord is niet zo moeilijk: we kiezen voor een middenweg. Op Paasmorgen nemen Elske en Arjan hun dochter mee naar de kerk. Eva zal dan een zegen te ontvangen. Ook die zegen is teken van het grote Ja van God. Net als bij de doop zal de vraag naar de geloofsopvoeding klinken. En net als bij de doop, zal ook de gemeente worden gevraagd de ouders daarin te steunen.

Komt u, kom jij ook het Paasfeest met ons meevieren? Je bent hartelijke welkom!

 

 Meeleven

Dinsdag 18 april is voor Theo en Akke de Boer (Schoolstraat 27) een hele bijzondere dag: ze zijn dan zestig jaar getrouwd. Dat is een mijlpaal om bij stil te staan en te vieren! Vanaf deze plaats: hartelijk gefeliciteerd!

In het vorige nummer schreef ik dat Ina Lageweg (H. de Craneweg 80F, Kuinre) opnieuw geopereerd moest worden. Dat is inmiddels gebeurd. Zij is nu begonnen aan haar revalidatie. Het lijkt erop, dat zij dat dit keer thuis mag doen.

Janke de Roos (Sportstraat 24) – in het vorige nummer schreef ik dat zij een hartoperatie had ondergaan – is weer thuis. Ook zij is bezig aan haar weg van herstel. Ze heeft er tijd voor nodig.

Gerrit de Jong (Oosterringweg 40A) is ongeveer halverwege zijn traject van chemokuren. Dat is een zwaar traject: elke keer opnieuw heel ziek worden om vervolgens een paar weken te kunnen aansterken.

Ten slotte noem ik Eline de Vries (Blankenhammerweg 4-I). Zij ondergaat deze weken een reeks medische onderzoeken. Heel spannend en onzeker.

Allen veel sterkte en moed toegewenst!

Met hartelijke groeten, Dirk van Keulen

Laad meer