Categorie: Predikant

Blinde vlekken

Dit nummer van ons kerkblad verschijnt aan het begin van een nieuw jaar. Daarom wil ik beginnen met jullie allen alle goeds toe te wensen voor dit jaar. Laten we hopen en bidden, dat dit jaar goed nieuws zal brengen: een einde aan al die al jaren durende conflicten vol geweld en een groeiend bewustzijn dat we anders met de aarde moeten omgaan, wil zij bewoonbaar blijven.

Het nieuwe jaar is ook een kans voor nieuwe initiatieven. Een van die nieuwe initiatieven heeft de naam gekregen: ‘Zin in zondag’. Elders in dit nummer kun je er meer over lezen.

En dan nu nog iets over de titel boven dit stukje: blinde vlekken.

Enkele weken terug ben ik voor mijn andere baan twee dagen in Duitsland geweest. Om precies te zijn: in Wuppertal. In een daar gevestigd kerkelijk centrum was een conferentie over kerkelijke en theologische contacten tussen Nederland en Duitsland. Tijdens de conferentie werden allerlei voorbeelden van zulke contacten gepresenteerd. Zelf leverde ik een bijdrage aan de conferentie door te vertellen over de contacten tussen de Nederlandse theoloog A.A. van Ruler en de Duitse theoloog Jürgen Moltmann. Wat hebben zij voor elkaar betekend? En hoe hebben ze elkaar beïnvloed?

Bijzonder was voor mij het begin van de conferentie. We gingen daarvoor op stap naar Barmen. Vroeger was dat een zelfstandige plaats. Tegenwoordig is Barmen een stadsdeel van de plaats Wuppertal.

De naam Barmen heeft binnen de geschiedenis van kerk en theologie een bijzondere klank. In 1934 kwamen daar 139 afgevaardigden uit verschillende kerken bijeen. Ze spraken met elkaar over de situatie van de kerk in Duitsland. De kerk was sterk verdeeld. Aan de ene kant stonden de zogenoemde Deutsche Christen, die zochten naar vernieuwing van het christendom in Duitsland en in Hitler de man zagen die dit kon bewerkstelligen. Aan de andere kant stond de zogeheten Bekennende Kirche (belijdende kerk), die zich daartegen verzette. De 139 die in een kerk in Barmen bijeenkwamen, behoorden tot de Bekennende Kirche.

Tijdens die bijeenkomst in Barmen stelden zij zes stellingen op: de Barmer Thesen. Deze vormen een belijdenis, die het fundament zou gaan vormen voor de Bekennende Kirche. Elke stelling begint met een of twee bijbelteksten, gevolgd door een belijdenis en een verwerping van iets wat men beschouwde als een ketterij.

Als voorbeeld volgt hier de eerste stelling:

Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij (Joh. 14:6).

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet door de deur de schaapskooi binnengaat, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover. Ik ben de deur; als iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden (Joh. 10:1,9).

Jezus Christus, zoals Hij ons in de Heilige Schrift betuigd wordt, is het ene Woord van God, dat wij te horen, in leven en in sterven te vertrouwen en te gehoorzamen hebben.

Wij verwerpen de valse leer, als zou de kerk als bron van haar verkondiging behalve en naast dit ene Woord van God ook nog andere gebeurtenissen en machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring kunnen en moeten erkennen.

(geciteerd uit: Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland, Heerenveen 2009, pag. 229)

De Barmer Thesen zijn heel belangrijk geworden binnen kerk en theologie. Ze hebben zelfs een plaats gekregen in het eerste artikel van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland: ‘De kerk erkent de betekenis van de theologische verklaring van Barmen voor het belijden in het heden’ (Artikel I.5).

Als opening van onze conferentie gingen we naar de kerk in Barmen waar die theologische verklaring van Barmen is opgesteld. De oorspronkelijke kerk bestaat niet meer. Deze is tijdens de Tweede Wereldoorlog kapot geschoten. Maar op dezelfde plaats is in de jaren vijftig opnieuw een kerk gebouwd.

In die kerk is nu een tentoonstelling gewijd aan de Barmer Thesen. Het hart van de tentoonstelling vormt een vitrine waarin een origineel van de verklaring ligt, met de typmachine waarop deze is getypt. Op dat origineel zie je dat met pen ook notities zijn toegevoegd. Zo zie je hoe er aan een tekst werd geschaafd. Zo zie je ook, hoe – zeker in bewogen tijden – ieder woord kan tellen.

In een van de andere delen van de tentoonstelling wordt de historische achtergrond van de theologische verklaring zichtbaar gemaakt: de opkomst van Hitler en de nationaalsocialisten.

Wat mij nogal aan het denken zette, waren een paar klepjes die je omhoog kon doen. Achter de klepjes kun je foto’s zien. Bijvoorbeeld een foto van een breed lachende jongeman, die een bord omhoog houdt met de tekst: ‘Deutsche kauft nicht bei Juden’. Dat je een klepje omhoog moest doen, wil zeggen dat dit voor veel mensen toen een blinde vlek is geweest. Mensen zagen wel wat er gebeurde, maar keken weg of hadden eigenlijk niet door wat er gebeurde.

Ik zei: dat zette mij nogal aan het denken. Wat zou ik hebben gedaan als ik toen, in die tijd, op die plaats had geleefd? Zou ik een van de afgevaardigden kunnen zijn geweest, die mee praatte over de Barmer Thesen? Of had ik die jongeman kunnen zijn geweest, die breed lachend met dat bord rondliep?

Wat zijn voor mij, wat zijn voor ons nu blinde vlekken? Waar kijken wij liever van weg?

Met hartelijke groeten, Ds. Dirk van Keulen

Het geheim van een oud adventslied of: liturgie met een knipoog.

December: de tijd van de donkere dagen. De dagen zijn kort. De lampen moeten al snel aan in huis. Velen gaan in het donker naar hun werk of naar school en komen pas weer thuis als het al weer donker is of wordt.

December is ook de tijd van advent: verwachtingsvol uitzien naar het feest van kerst. Bij de adventstijd horen een hele reeks bekende liederen, die we graag zingen. Een daarvan is het lied dat we kennen als ‘O kom, om kom Immanuël’. Zo stond het tenminste als gezang 125 in ons oude liedboek.

Het lied staat ook in ons nieuwe Liedboek: lied 466. Telde het lied in ons oude liedboek vijf coupletten, nu zijn het er zeven. Leg je twee liedboeken naast elkaar, dan zie je bovendien dat er niet alleen twee coupletten bij zijn gekomen, maar ook dat er wijzigingen zitten in de tekst van de coupletten. De tekst luidt nu (boven elk couplet staat een Latijns kernwoord, met bijbehorende bijbeltekst):

Sapientia (Spreuken 8:1-16)

O wijsheid, daal als vruchtbare taal!

Het zaad verdort, de oogst wordt schraal,

op aarde plant het kwaad zich voort,

de waanzin voert het hoogste woord.

O kom, o kom, Emmanuel!

Verblijd uw vol, uw Israël!

 

Adonai (Deuteronomium 10:17-21)

O kom, die Heer en meester zijt,

verschijn ons toch in majesteit!

Verlichte wolk en lopend vuur,

zo waart Gij eens op aarde hier.

O kom, o kom, Emmanuël!

Verblijd uw volk, uw Israël!

Radix Jesse (Jesaja 11:1-10)

Ja kom, Gij wortel Isai,

verlos ons van de tirannie,

van alle goden dezer eeuw,

o herder, sla de boze leeuw!

O kom, o kom, Emmanuël!

Verblijd uw volk, uw Israël!

 

Clavis David (Jesaja 22:20-22)

Ontsluit, Gij die de sleutel zijt,

die opendoet en niemand sluit,

het huis van dood en duisternis

waarin uw volk gekluisterd is!

O kom, o kom, Emmanuël!

Verblijd uw volk, uw Israël!

 

Oriens (Maleachi 3:20)

Daag op, o grote dageraad,

licht aan, wij zijn ten einde raad,

verjaag de nacht van onze nood

en maak uw toekomst rozerood!

O kom, o kom, Emmanuël!

Verblijd uw volk, uw Israël!

 

Rex Gentium (Jeremia 10:6-7)

Koning der volken, heers alom

en, eerste van de aarde, kom!

Gij hoeksteen, maak ons samen één,

verzamel allen om U heen!

O kom, o kom, Emmanuël!

Verblijd uw volk, uw Israël!

 

Emmanuel (Jesaja 7:14)

Emmanuël, bewijs uw naam!

wees uw belofte, neem ons aan,

zegen het volk dat vrede wil,

maak Israël gerust en stil.

O kom, o kom, Emmanuël!

Verblijd uw volk, uw Israël!

Dit lied heeft oude wortels. Het gaat terug op wat wordt genoemd: de O-antifonen. Al vele eeuwen wordt in kloosters elke dag in de vespers (aan het eind van de middag) de lofzang van Maria – het Magnificat – gezongen (Lukas 1:46-55). Voor en na het Magnificat wordt dan een antifoon gezongen. Zo’n antifoon is een keervers, dat – zo zou je kunnen zeggen – kleur geeft aan de tekst waar de antifoon ‘omheen’ staat.

In de laatste week voor kerst is de antifoon bij het Magnificat een van de zeven ‘O antifonen’. Ze beginnen allemaal met de uitroep: ‘O’. En daarna volgt zeven dagen lang (van 17-23 december) een bijnaam voor Christus. Die bijnamen komen uit de Bijbel en zijn in het Latijn (de taal die eeuwenlang in kloosters voor de liturgie werd gebruikt; en in sommige kloosters nog steeds wordt gebruikt): Sapientia (wijsheid) – Adonai (Heer) – Radix Jesse (wortel van Isaï) – Clavis David (sleutel van David) – Oriens (Dageraad) – Rex Gentium (koning van de volken) – Emmanuel (Immanuël).

In deze zeven bijnamen schuilt een geheim. Wanneer je de eerste letters van de zeven bijnamen van achter naar voren leest, dan ontstaat er het zinnetje: ‘ero cras’. Dat betekent: morgen zal ik er zijn. Inderdaad! Want als je op 23 december het zinnetje compleet hebt, is de boodschap: morgen (kerstavond 24 december) vieren we de geboorte van het Kind dat het licht in de wereld brengt. Zo bevat dit oude adventslied een geheim. Het is liturgie met een knipoog. En daarom is het mooi dat het lied in ons nieuwe Liedboek weer zeven coupletten telt.

Ik wens jullie allen goede adventsdagen toe. En natuurlijk een gezegend, een zalig kerstfeest!

ds. Dirk van Keulen

Het vlindertje

De laatste zondag van november is weer de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Dat is, zoals ieder jaar weer blijkt, een beladen zondag. We steken kaarsen aan ter gedachtenis van overleden gemeenteleden.

We steken ook een kaars aan ter gedachtenis van overleden dorpsgenoten. Op dit moment overleggen we nog hoe we dat zullen doen. Iemand stelde eerder dit jaar de vraag of het geen goed idee zou zijn als iemand van Dorpsbelang de kaars aansteekt. Ja, dat vind ik een goed idee. We willen immers kerk voor iedereen zijn: een dorpskerk.

En ten slotte steken we een kaars aan ter gedachtenis van al die mensen die het afgelopen jaar het slachtoffer werden van de barbarij die op vele plaatsen rondgaat.

Daarna mag iedereen naar voren komen om een lichtje aan te steken voor iemand die je zo lief was. Als je twee lichtjes wil aansteken mag dat trouwens ook! We zorgen er wel voor dat er genoeg lichtjes zijn.

Elk jaar opnieuw zie ik, dat voor velen dat moment van lichtjes aansteken beladen is. Iedereen gaat op een eigen manier om met het gemis van geliefden. Maar hoeveel jaar het ook al geleden is, juist op zo’n moment van het aansteken van een lichtje kun je het gemis weer sterk voelen.

*

*          *

Laat ik dit keer afsluiten met een gedichtje van Geert Boogaard. Het gedichtje heeft als titel ‘Valse herder’. En het gaat zo:

 

‘Toen twee van

hun kinderen waren

gestorven, kwam

de pastor, herder

der schapen, die

zei dat de Here God

Zich niet vergiste

en dat alles was

gebeurd op Zijn tijd.

 

De Here God vond

dat die pastor

in de war was’.

 

(uit: Geert Boogaard, Omdat er wat komt, Nijkerk 1988, 24)

 

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

De kerk in ‘t nieuwe land (2)

In het vorige nummer schreef ik over het oude kerkblad De kerk in ’t nieuwe land. En ik kondigde aan in dit nummer er nog iets meer over te vertellen.

Het wekelijks verschijnende blad is vooral een informatie- en mededelingenblad. Aanvankelijk gaat het vooral om informatie met betrekking tot de kerk in Emmeloord en die van Luttelgeest-Kuinre. Later krijgen ook Ens en Marknesse een eigen plaats in het blad.

Dan kunnen we kunnen bijvoorbeeld lezen wanneer er waar catechisatie wordt verzorgd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen beneden 15 jaar, ‘jongens en meisjes van 15 jaar en ouder’, volwassenen en belijdeniscatechisatie.

Ik ontdek dat de jeugd behalve voor catechisatie ook nog op een ander moment in de week bijeenkomt. Er is in Luttelgeest namelijk een jeugdclub ‘In ’s Konings Dienst’ en een jongeliedenvereniging ‘Immanuël’. In elk kerkblad kunnen we lezen wat het thema van die week is. Waar zijn die clubs gebleven?

Ook staat er in elk nummer informatie over de ‘kerkelijke stand’: nieuwe leden van de kerk (waar komen ze vandaan? dooplid of belijdend lid?) en leden die weer vertrekken en elders gaan wonen.  Er was nog geen privacywetgeving!

In het nummer van 15 januari 1948 lees ik, dat de gemeente van Luttelgeest-Kuinre in 1947 is gegroeid van 66 naar 86 leden. Ds. Brunsting voegt toe: ‘Zeker, het getal is niet groot, maar het had ook anders gekund!’ Ik denk: een groei van zo’n dertig procent… – ik zou mijn ogen niet geloven!

In vele nummers vind ik ook in grote letters gedrukt: ‘Denk aan de dagsluitingen’. Het was me niet gelijk duidelijk wat daarmee wordt bedoeld.

Maar in het nummer van 9 oktober 1947 schrijft eindredacteur De Jong: ‘Het is me opgevallen dat de dagsluitingen in het ene kamp veel beter bezocht worden dan in het andere. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, maar kan niet één van de oorzaken, en dan een hele belangrijke zijn, dat we anderen niet opwekken mee te gaan? Laten we allen doen wat we kunnen om onze kamergenoten mee te nemen naar de dagsluiting. We hebben een roeping tegenover hen’.

Een klein citaat als dit roept een beeld op van het leven in de polder anno 1947. Er zijn blijkbaar nog onvoldoende boerderijen en huizen beschikbaar voor de mensen die wonen en werken in de polder. In plaats daarvan wonen mensen bij elkaar in ‘kampen’ en delen met elkaar een kamer. En geklaag over te weinig mensen bij de kerkelijke activiteiten is blijkbaar niet iets wat alleen eigen is aan onze tijd.

In het nummer van 25 september 1947 lees ik dat ds. Brunsting van Kuinre naar Luttelgeest is verhuisd. Het bericht leest als een tijdsbeeld: ‘De pastorie in Luttelgeest is in bewoonbare staat, mijn vrouw en ik verwachten nu de gasten. Vanuit Kuinre is bezoek moeilijker geworden, voor de meeste kampen gemakkelijker. ’t Treft wel, dat juist het dichtstbijgelegen kamp Luttelgeest II wordt opgeheven. Maar de meeste bewoners gaan naar Luttelgeest I, dat ook dichtbij genoeg ligt, om de pastorie te bezoeken. Het is vanaf de straat de vierde woning in de gezinsbarakken. De nieuwe woning is heel wat gerieflijker dan de oude, helaas wat minder ruim. Het aantal inwoners van Luttelgeest zal nu wel snel stijgen, met de opbouw van de tweede rij gezinsbarakken is men druk bezig, terwijl Luttelgeest II, het stenen kamp, ook zal worden omgebouwd tot 14 woonhuizen. Als het zover is, lijkt het al wat op een dorpje. Terwijl het volgend jaar de uitgifte van boerderijen wellicht ook in deze omgeving zal vallen’. Over die uitgifte van boerderijen schreef Eva Vriend haar mooie boek Het nieuwe land.

Het blad De kerk in ’t nieuwe land wordt ook weleens voor andere doeleinden dan informatievoorziening gebruikt. In het nummer van 8 mei 1947 lees ik: ‘We horen nogal eens klachten over het niet in handen krijgen van de Kerkbode in de kampen. Toch wordt, voor zover wij kunnen nagaan, de Kerkbode geregeld in de kamers verspreid. Het schijnt echter dikwijls te gebeuren, dat men een krant grijpt, om zijn boterhammen in te verpakken. Nu, laat ieder zijn medebewoners van de kamer dan verzoeken, daarvoor de Kerkbode niet te gebruiken’. ‘En’, kan Brunsting niet nalaten toe te voegen: ‘een nog probater middel is: abonneer U op de Kerkbode’.

Een van de mooiste berichten die ik bladerend in het oude kerkblad tegenkwam, gaat over een van onze huidige gemeenteleden. Op de achterzijde van het eerste nummer staat een advertentie, geplaatst door Y.Tj. Reitsma en R. Reitsma-Boersma, wonend: ‘De Kúnder, Gezinsbarak 1’. De advertentie met de datum ‘20 Jannewaris 1947’ is opgesteld in het Fries:

‘Mei blidens en tankbrens dogge wy to witten de berte fan in Famke,

Janke’

In het nummer van 13 februari 1947 komen we haar nog een keer tegen. Nu onder de rubriek ‘Kerkelijke stand’. Ik kan het niet laten het bericht, dat geschreven zal zijn door ds. Brunsting, in zijn geheel te citeren:

‘9 Febr. werd gedoopt Janke Reitsma, geb. 20 Jan. ’47. Bij deze dienst, op een zoo bar-kouden Zondag, was het leeftijdsverschil tusschen de oudste en de jongste kerkganger niet minder dan 91 jaar, daar de wed[uwe] Pereboom, zooals gewoonlijk tweemaal den dienst bijwoonde. Wel een beschamend voorbeeld voor hen, die wel eens al te spoedig thuis blijven. In de week moeten zij toch ook naar hun werk? Dan zult ge toch niet thuis blijven, als de Heiland u roept?’

Het was inderdaad koud op 9 februari 1947: zowel ’s nachts als overdag matige vorst.

Tot zover over het blad De kerk in ’t nieuwe land. Ik weet niet hoe lang dit blad heeft bestaan. Er is een moment gekomen, dat de dorpskerken in de polder besloten elk hun eigen blad te maken. Er zal een moment komen dat ook die blaadjes hun langste tijd hebben gehad. We zullen wel toegaan naar informatie via een website.

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen.

De kerk in ‘t nieuwe land (1)

9 september 1942 is een belangrijke dag voor alle polderbewoners: op die dag, midden in de Tweede Wereldoorlog viel de Noodoostpolder droog. Spoedig daarna is een begin gemaakt met het in cultuur brengen van het land. Met het toestromen van de eerste mensen – aanvankelijk ook nogal wat onderduikers, die een schuilplaats vonden tussen het riet –, ontstond ook al snel een kerkelijk leven. Een mooi beeld daarvan geeft het blad De kerk in ’t nieuwe land. Kerkblad voor de Geref. Kerken in de Noordoostpolder.

Piet en Sylvia Koekoek gunden me recent een blik in de eerste drie jaargangen van dit blad. Het eerste nummer verscheen op 23 januari 1947. Eindredacteur ds. P. de Jong uit Zwolle schrijft daarin: ‘We hebben behoefte aan een eigen blad, al spreken we nu reeds van de Kerk van Emmeloord en van de Kerk van Luttelgeest-Kuinre en spoedig naar we hopen van de Kerk van Ens èn van de Kerk van Marknesse – en dit is nog maar het begin –. Toch is er in den Polder een groot gevoel van saamhorigheid, de Polder is het nieuwe land, en dat vraagt om een eigen blad, óók om een eigen Kerkblad, waarin geschreven kan worden over ons werk, speciaal in den Polder’.

De Gereformeerde Kerk van – toen nog – Luttelgeest-Kuinre, behoorde met Emmeloord dus tot de twee eerste gereformeerde kerken van de polder. Op internet vind ik, dat de Gereformeerde Kerk van Luttelgeest-Kuinre  al op 28 november 1943 werd opgericht.

In het eerste nummer vind ik ook een gedicht ter gelegenheid van de oprichting van het nieuwe kerkblad. Het werd gemaakt door S.M.P de Jong-Visser uit Zwolle. Zou dat de vrouw van eindredacteur De Jong zijn?

‘Ons nieuwe blad

Voor ’t Nieuwe Land

Een Polderkrant!

Ons Kerkblad is verschenen!

Dit geeft verband

Naar allen kant,

’t Onzekere is verdwenen!

 

Ja, dát is weg:

Wie preekt er, zeg?

En wáár kan men hem hooren?”

Zóó was ’t een tijd,

Maar nu, verblijd,

Zal ons dit blad bekoren!

 

Moog’ in dit land,

Deez’ kerkekrant,

Aan ieder welkom wezen!

En vlot en frisch,

Zooals deez’ is,

Dan graag worden gelezen!’

Het blad De kerk in ’t nieuwe land is dus een ‘gereformeerd’ blad. Of er in die tijd ook een hervormd of een rooms-katholiek kerkblad voor de polder bestond weet ik niet. Het feit dat er een afzonderlijk gereformeerd blad werd opgericht zegt wel iets over het versplinterde kerkelijke leven van die tijd.

In het tweede nummer schrijft De Jong over de intrede op zondag 19 januari 1947 van ds. E. Brunsting (1903-1992) als predikant van Luttelgeest-Kuinre. Hij was niet de eerste gereformeerde dominee van Luttelgeest. Dat was ds. H. Munnik (1917-1997), die in maart 1944 werd bevestigd als predikant en in mei 1946 vertrok naar Ter Aar. Ook was Luttelgeest niet Brunstings eerste gemeente. Hij kwam over uit Krimpen a.d. Lek. De intrededienst kon op veel belangstelling rekenen: ‘Het kerkje te Kuinre was overvol’.

Ds. J. Bos (predikant van Emmeloord) en ds. Brunsting verzorgen in het begin met z’n tweeën de redactie van De kerk in ’t nieuwe land. Ds. de Jong uit Zwolle is eindredacteur. Het blaadje verschijnt elke week. Een abonnement kost 1 gulden per drie maanden – ‘bij vooruitbetaling’! De eerste elf nummers hebben een wat saaie kop. ‘De kerk’ staat in grote letters gedrukt met daaronder in kleinere letters ‘in ’t nieuwe land’ (de twee laatste woorden in een vierkant). Vanaf nummer 12 (10 april 1947) krijgt het blad een nieuwe opmaak van de kop.

Eindredacteur De Jong schrijft over de nieuwe kop: ‘Ge ziet het “nieuwe land”, op den voorgrond de zee; enkele jaren geleden was alles nog zee; nu is er land, het “nieuwe land”. In dat nieuwe land heeft de Kerk haar plaats, haar taak en die taak is te doen hooren de prediking van Jezus Christus en Dien gekruist; het leven ook in het nieuwe op te vorderen voor Hem. Dat is de bedoeling geweest van den ontwerper van deze “kop”. Daarom heeft hij over het “nieuwe” land geteekend de stralen van de zon, rondom de Kerk en het Kruis’.

Zoals gezegd: het kerkblad verschijnt elke week. Het bestaat altijd uit vier bladzijden. Elk nummer begint met een ‘Meditatie’, meestal geschreven door Brunsting. De rest van het blaadje bestaat voornamelijk uit informatie en mededelingen. In vele nummers is er de rubriek ‘Kerknieuws’. Anders dan je zou denken gaat het daarin niet om nieuws uit de plaatselijke kerken, maar om landelijk nieuws: wie is er in welke gemeente als dominee beroepen?

Belangrijk is ongetwijfeld de rubriek ‘Predikbeurten’. Zo lezen we in het eerste nummer, dat ds. J. Bos op zondag 26 januari 1947 om 10 uur en om 3 uur voorgaat in Emmeloord (met viering van het avondmaal en – zo was dat in die tijd – ‘nabetrachting’). Twee uur later, 5 uur ’s middags, doet hij hetzelfde in Marknesse.

De heer L.G. Rosendal uit Kampen verzorgt om 9.30 en om 3 uur een dienst in Ens (ik heb het even nagezocht: het zal gaan om L.G. Rozendal, een student van de Theologische School in Kampen).

En Brunsting? Die had net als Bos ook een drukke zondag! Om 9.30 gaat hij voor in Kuinre, om 11 uur in Marknesse en om 3 uur nog een keer in Kuinre.

In het oktobernummer schrijf ik nog iets meer over het oude kerkblad.

Op de komende startzondag ligt het ook in de kerk. Dan kan iedereen het even inzien!

Startzondag

Over de startzondag gesproken: elders in dit blad leest u er meer over. Op deze plaats zeg ik alleen: neem een voorwerp mee, dat voor jou iets betekent van hoop, kracht, vertrouwen, moed, liefde, geborgenheid, toekomst, troost, enz.

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

 

Het is zomer !

Het gebeurde eind februari van dit jaar – die twee weken waarin het koud was. Mijn dochter Hanna kwam thuis uit school. Ze trok haar wanten uit, deed haar sjaal af en hing haar jas aan de kapstok. En toen zei ze: ‘Pap, ik verlang zóóóóó naar de zomer!’ ‘Naar de zon!’ ‘Naar dat het lekker warm is!’

Nu is het zover: het is zomer!

Afgelopen weken hebben we al een hele reeks warme dagen gehad. Dagen waarop de zon uitbundig heeft geschenen. Wie buiten op het land of in de kassen werkt, heeft het zweet van het voorhoofd gewist. In de consistorie van de kerk is het nu heel aangenaam. ’s Winters is het daar koud. Het eerste wat ik dan doe als ik aankom, is de kachel aanzetten. En dan zit ik er eerst een tijd met de jas aan. Nu hoeft dat niet: ja, het is zomer!

Ik houd ook van de zomer: van het licht, de bloemen, de vlinders, de vogels.

De zomer is voor velen een tijd van ontspanning. Niet voor iedereen – op het land en in de kassen moet er genoeg gebeuren. Voor de kinderen in elk geval wel. Zij zijn een paar weken vrij van school. Wie de mogelijkheid heeft, trekt er even op uit: vakantie.

Nu ik zo even stilsta bij de zomer komt er een lied in mijn gedachten. Ik geloof niet dat ik het in de afgelopen jaren hier in Luttelgeest een keer heb laten zingen. Maar daar kan ik iets aan doen. Het is lied 747 uit ons Liedboek (in het oude liedboek was het gezang 288):

Eens komt de grote zomer

waarin zich ’t hart verblijdt.

God zal op aarde komen

met groene eeuwigheid.

De hemel en de aarde

wordt stralende en puur.

God zal zich openbaren

in heel zijn creatuur.

Het is een lied waar een verhaal aan vastzit. Het is gemaakt door Johann Walter (1496-1570), een dichter en een componist uit de tijd van de Reformatie. Hij had contact met Luther en werkte onder meer als cantor – zangleider – in Thorgau, een stadje tussen Berlijn en Leipzig.

Hij hield van zingen. Dat wordt wel duidelijk uit het lied dat hij heeft gemaakt. Ondanks dat hij componist was, heeft hij de melodie niet zelf gecomponeerd. Hij schreef zijn lied op de melodie van een ‘werelds’ lied waarin de zomer wordt bezongen. Ik kan het niet laten dat lied hier ook op te nemen:

Herzlich tut mich erfreuen

die fröhlich Sommerzeit,

all mein Geblüt verneuen,

der Mai viel Wollust geit.

Die Lerch tut sich erschwingen

mit ihrem süssen Schall,

lieblich die Vöglein singen,

voraus die Nachtigall.

Geïnspireerd door dit zomerlied pakte Walter zijn pen op en schreef maar liefst 34 coupletten. Hij hield van zingen… Maar 34 coupletten is wel wat veel van het goede: er komt geen eind aan.

Het was wel een slim idee van hem om de melodie van een ‘werelds’ te gebruiken. Ik denk dat alle mensen die in de kerk kwamen die melodie kenden. Zo kon iedereen het lied gelijk meezingen. Maar zouden ooit in een dienst alle 34 coupletten zijn gezongen? Dan raak je toch buiten adem? In ons Liedboek hebben we nu acht coupletten. In Duitse liedboeken meestal negen.

De melodie past bij de tekst van ons lied. Zoals in het ‘wereldse’ lied vrolijk de zomer wordt bezongen, zo gaat het in ons lied – heel mooi vertaald door J.W. Schulte Nordholt – vrolijk over ‘de grote zomer’. In het Duitse liedboek wordt daar een sterretje bij gezet met een toelichting: beeld voor de eeuwigheid. Dat had voor mij niet gehoeven, want dat snappen we zelf ook wel!

Ik wens jullie allen een fijne zomer toe!

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

De werkgroep eredienst en kerkmuziek.

Van iedere predikant wordt verwacht dat hij of zij ook taken buiten de eigen gemeente op zich neemt. Dan kun je bijvoorbeeld denken aan dingen die te maken hebben met bestuur: meedenken over de kerk binnen de classis of de synode. Of taken vervullen die te maken hebben met het reilen en zeilen van zulke bestuursorganen. Belangrijk voor de Noordoostpolder is ook het Dorpskerkenoverleg, waarin ds. Gerlof van Rheenen (Nagele) een voortrekkersrol heeft.

Mijn taak is op dit moment een andere: ik ben voorzitter van de Werkgroep Eredienst en Kerkmuziek van de PKN.

Wat is dat voor Werkgroep? En hoe ben ik daarin verzeild geraakt?

Ik begin met het laatste. Toen in theologie studeerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam kreeg ik les in allerlei vakken: Oude Testament, Nieuwe Testament, Kerkgeschiedenis, Dogmatiek, Ethiek, Praktische Theologie, enz. Aan het eind van de studie moest je je specialiseren. Ik vond het moeilijk kiezen. Ik vond zoveel vakken leuk en interessant. Uiteindelijk koos ik voor Dogmatiek (het vak waarin de inhoud van wat wij geloven onder woorden wordt gebracht) en Liturgiek.

Het leuke aan het vak Liturgiek is dat daarin allerlei lijntjes bij elkaar komen. Natuurlijk is er de praktische kant: hoe geeft je de liturgie voor de komende zondag vorm? Maar er is ook een historische kant: de christelijke kerk viert al tweeduizend jaar. De liturgie is in al die tijd niet gelijk gebleven, maar heeft zich ontwikkeld. Vanzelfsprekend is er een lijntje met Oude en Nieuwe Testament: die worden in de liturgie immers altijd gelezen. En er is ook een lijntje met de Dogmatiek: want gedachten over wat wij geloven klinken altijd in de liturgie door.

Eigenlijk kun je wel zeggen dat de liturgie het hart van de kerk vormt. Zonder liturgie kan de kerk niet bestaan. Zo raakte ik in liturgie geïnteresseerd en maakte daarvan een soort specialisme.

Al snel na het einde van mijn studie werd ik gevraagd lid te worden van de redactie van de boekenserie Werkboekjes voor de Eredienst. We bedachten thema’s over actuele vragen, we vroegen iemand zo’n boekje te schrijven en we lazen mee met de teksten die hij of zij schreef. Soms schreef een redactielid zelf zo’n boekje. Tweemaal deden we dat als redactie in zijn geheel, waarbij ieder een of meer hoofdstukjes schreef.

Zo kwamen jaarlijks twee boekjes tot stand. Zo’n vijftien jaar ben ik lid geweest van de redactie. Na veertig deeltjes vond de uitgever het welletjes met de serie. En kwam er een einde aan de groep die deze serie redigeerde.

Kort daarna werd ik gevraagd lid te worden van de Werkgroep Eredienst. Die Werkgroep is onderdeel van de landelijke organisatie van de PKN – zeg maar: het bureau in Utrecht. De Werkgroep adviseert de synode als het gaat om vragen over liturgie.

De Werkgroep is dus in de eerste plaats een soort denktank. Omdat kerk en liturgie nooit gelijk blijven, maar altijd in ontwikkeling zijn, is het zinnig om met een groep af en toe eens stil te staan bij de ontwikkelingen: wat gebeurt er? Wat kunnen we daarvan leren?

In het verleden had de Werkgroep ook praktische taken. Zo was de Werkgroep verantwoordelijk voor de twee delen Dienstboek. Een proeve waarin materiaal voor elke zondag van het kerkelijk jaar worden aangereikt, evenals teksten voor bijvoorbeeld de viering van avondmaal en doop, de bevestiging van ambtsdragers, enz.

Toen vorig jaar de voorzitter ermee stopte (hij is wel lid gebleven van de Werkgroep!) heb ik de taak van voorzitter op me genomen. Afgelopen jaar hebben we bijvoorbeeld een aantal nieuwe teksten voor de viering van het avondmaal besproken.

We waren betrokken bij de totstandkoming van het door Marcel Barnard geschreven boekje Tot Gods Eer. Dat boekje is ook op de synode aan de orde geweest. Het is de bedoeling dat aan de hand van dat boekje gemeente gesprekken kunnen voeren over liturgie.

We werden gevraagd eens mee te denken over een liturgie voor de doop vanuit een bepaalde stroming binnen de PKN. Dat geeft aan dat de Werkgroep er voor de volle breedte van de PKN is.

We denken na over een boek, waarin we materiaal voor themavieringen aanbieden.

Op de agenda voor toekomstige vergaderingen staat bijvoorbeeld een gesprek over wat wordt genoemd: ‘kliederkerk’ – een heel eigentijdse vorm van viering met kinderen. En we zullen vast en zeker ook een keer praten over de viering van doop en avondmaal in pioniersgemeenten.

Kerkmuziek had binnen de organisatie in Utrecht heel lang een eigen groep. Deze is opgeheven. Daarom is naast de liturgie – de eredienst – sinds vorig jaar ook het veld van de kerkmuziek aan de Werkgroep toegevoegd. Dat gaat natuurlijk goed samen, want maakt muziek niet onlosmakelijk deel uit van de liturgie? Je kunt je toch moeilijk een viering voorstellen zonder muziek, zonder samen liederen zingen.

Zo weet u een beetje wat mijn taak buiten de gemeente Luttelgeest is. En waarom ik vier of vijf keer per jaar een ochtend naar Utrecht ga.

Een vriendelijke groet, Ds. D. van Keulen.

De Trooster

We leven in de Paastijd. Het feest van Pasen, het feest van de opstanding van de Heer ligt achter ons en klinkt ook in ons achterhoofd nog na. Nu zijn we op weg naar Pinksteren: het feest van de uitstorting van de Hellige Geest.

Op Pinksterzondag zullen we niet alleen aan de Heilige Geest denken en over de Geest zingen, maar ook drie nieuwe ambtsdragers bevestigen. Zij nemen de plaatsen in van drie anderen, die de afgelopen vier jaar deel hebben uitgemaakt van de kerkenraad. Ik ben dankbaar voor het werk dat zij hebben verzet. Ik ben ook heel blij dat er weer drie nieuwe ambtsdragers zich voor onze gemeente willen inzetten. Elk jaar is het altijd weer spannend: kunnen we nieuwe mensen vinden? Tot nu toe is dat elk jaar weer gelukt. Dat is een grote troost!

U snapt dat ik als titel boven dit stukje ‘De trooster’ heb gezet omdat we op weg zijn naar Pinksteren. Een van de namen voor de Geest is immers: de Trooster. De Geest werkt altijd ook door mensen. De gave om anderen te kunnen troosten is daarom een van de gaven van de Geest.

*

*             *

De trooster brengt me ook even bij de recente Nederlandse literatuur. Ik lees nog weleens een boek. Het valt me op, dat er recent verscheidene boeken zijn verschenen waarin motieven uit het christelijk geloof op mooie wijze een rol spelen. Vroeger was dat – en dan denk ik bijvoorbeeld aan het werk van Maarten ’t Hart en Jan Wolkers – wel anders. Al begreep ik wel waarom zij zich scherp konden keren tegen praktijken in de kerk van vroeger en tegen klassieke theologische beelden van God. Ik kan het niet laten hier wat te noemen, al denkt u nu misschien: hier valt een boekenkast om.

Dat de nieuwe dichtbundel van Huub Oosterhuis: Die wij denken (2017) doordrenkt is van Bijbelse motieven is geen verrassing natuurlijk. Ik kom zulke motieven ook tegen in de nieuwe dichtbundel van Willem Jan Otten: Genadeklap (2018). Al is dat in de wetenschap van zijn overgang naar de rooms-katholieke kerk en na bijvoorbeeld zijn roman Specht en zoon (2004) ook geen verrassing meer.

Wel verrassend was voor mij de worsteling met God in de laatste dichtbundel van Joost Zwagerman: Wakend over God (2015).

En er is meer te noemen. Zo las ik bijvoorbeeld Wormen en engelen (2017), een roman van Maarten van der Graaff. Het hele boek is een zoektocht naar de betekenis van geloof en religie in onze tijd.

Ik werd ook getroffen door de wijze waarop Psalm 23 een rol speelt bij een begrafenis in de nieuwe roman van Tommy Wieringa: De heilige Rita (2017). Een prachtig boek vol mededogen.

Ook denk ik – en daar ligt de verbinding met de titel boven dit stukje – aan de roman De trooster van Esther Gerritsen (2018). Het boek speelt zich af in een klooster. De conciërge van het klooster vangt tegen de regels een nieuwe gast op. We lezen over een paasviering. Vriendschap is een belangrijk thema in het boek, evenals de omgang met schuld.

En om nog even bij de trooster te blijven: ik herinner me ook een hoofdstuk onder die titel in een eerder boek van Tommy Wieringa: Dit zijn de namen (2012). Een indrukwekkend boek over gelukzoekers en vluchtelingen. Het hoofdstuk met de titel ‘De trooster’ doet mij denken aan de gelijkenis over de barmhartige Samaritaan.

 

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

De werkgemeenschap

Een paar weken geleden – woensdag 14 maart – was de jaarlijkse gemeenteavond. Na de bespreking van de financiën dachten we met elkaar na over de toekomst van de kerk. Sylvia, onze voorzitter, vertelde over plannen uit het dorpskerkenoverleg. Er zijn allerlei vormen van samenwerking tussen de dorpskerken mogelijk. Daar zal nog wel vaker over worden gesproken.

Tijdens de gesprekken op de gemeenteavond ontdekte ik dat velen van u niet weten wat de werkgemeenschap van predikanten is. Dat is ook wel logisch dat die werkgemeenschap niet erg bekend is. De werkgemeenschap is namelijk een overleg van predikanten. Gemeenteleden zijn er niet bij. Daarom maak ik van de gelegenheid gebruik er dit keer iets over te vertellen.

Elke dominee binnen de Protestantse Kerk maakt in principe deel uit van een werkgemeenschap van predikanten. Die werkgemeenschappen zijn altijd regionaal georganiseerd. Ik maak deel uit van de werkgemeenschap Noordoostpolder, net als alle andere protestantse dominees en kerkelijk werkers in de polder. Ds. Erna Lensink uit Bant hoort er natuurlijk bij; ds. Gerlof van Rheenen uit Nagele, die een belangrijke rol speelt in het dorpskerkenoverleg, ook. En zo ook de collega’s uit de andere dorpen en uit Emmeloord.

Bijzonder is dat de collega’s uit Urk in principe ook deel uitmaken van de werkgemeenschap. Omdat de vragen waar men in Urk mee bezig is soms toch wat anders zijn dan in de polderdorpen, geven de collega’s uit Urk er de voorkeur aan een ‘eigen’ werkgemeenschap te vormen. Afspraak is, dat we één keer per jaar met z’n allen (dus ook met de collega’s uit Urk) bijeenkomen.

Ongeveer eens per zes weken komen we bij elkaar in een van de kerken in de polder. Dat doen we meestal tussen de middag. Ieder neemt zelf brood mee. De predikant van de kerk we samenkomen zorgt voor een kopje soep en wat te drinken. Vanzelfsprekend doen we dat om de beurt. Een van de komende keren zal Luttelgeest wel weer eens aan de beurt zijn.

Terwijl we zo gezamenlijk eten praten we aan de ene kant over persoonlijke en organisatorische zaken. Hoe gaat het met iedere collega? En hoe gaat het in elke gemeente? Iedereen maakt dingen mee in zijn of haar leven, die raken aan het werk in de gemeente. Het is goed om daarover te overleggen. We praten over ontwikkelingen in het dorpskerkenoverleg. En we bespreken ook praktische vragen, zoals: wie vervangt wie in tijden van vakantie?

Naast deze persoonlijke, organisatorische en praktische zaken maken we ook tijd voor geloofsgesprek. Soms vloeit dat voort uit de tijd van het kerkelijk jaar: hoe is Pasen bij jullie in de gemeente gevierd? Wat gaan jullie doen met de startzondag?

Andere keren komt er een thema aan de orde. En nog weer andere keren lezen we allen een bepaalde tekst en gaan daarover in gesprek. Zo lazen we onlangs een hoofdstuk uit het boek Back to Basics dat door de PKN is uitgegeven ter gelegenheid van het rapport Kerk 2025.

Een volgende keer (in mei) lezen we een ander boek: Alles moet anders! van Janneke Stegeman, die in 2016-2017 theoloog van het jaar was. Zij zal zelf ook aanwezig zijn op de vergadering. Dat is altijd leuk: met de auteur zelf over haar boek in gesprek gaan!

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen.

Op weg naar Pasen

Wanneer dit nummer van het kerkblad uitkomt, bevinden we ons midden in de veertigdagentijd. We zijn op weg naar Pasen. In vier diensten zullen we erbij stilstaan. Eerst Witte Donderdag. Dan vieren we het avondmaal, staande in een kring (en voor wie niet kan staan zetten we een stoel in de kring). Die kring is een beeld voor ons als gemeente. Zo horen we bij elkaar. En heel belangrijk: we laten altijd een plaatsje open in de kring. Wie zich in de kring wil voegen is welkom! Welkom zoals je bent – met je geloof en met je twijfel. Ook met alle grote vragen in je hart.

Op Goede Vrijdag staan we stil bij Jezus’ dood. We lezen het verhaal. Over de vorm denk ik nog even na. We zingen. En we zullen stil zijn. Wat kun je anders op die dag?

Stille Zaterdag is de dag waarop ’s avonds het licht doorbreekt. Er is een nieuwe paaskaars: licht van Christus. Daaraan steken we een eigen kaarsje aan. Zo houden we het licht brandend in ons eigen hart. Soms brandt dat helder; een andere keer is het hevig aangevochten, wanneer een stormwind in ons hart woedt die het licht wil doven.

Ten slotte de Paasmorgen. Dan zingen we paasliederen.

Hartelijke groet,

Ds. Dirk van Keulen

Laad meer