Categorie: Predikant

Gedachte-experiment

In de schoolklas die nu in de kerk haar lokaal heeft, loopt de spanning op het moment dat ik dit schrijf al aardig op: het Sinterklaasfeest is in aantocht. Heel spannend!

Later deze maand krijgen we het kerstfeest en de jaarwisseling. Ja, de maand december staat niet voor niets bekend als de feestmaand.

Stel, dat er geen kerstfeest zou zijn. Zouden we dat missen? En zo ja, wat zouden we dan missen?

Laten we eens een paar dingen bedenken: geen kerstboom in de huiskamer. Ja, die zou ik wel missen. Die boom met lichtjes geeft toch altijd iets feestelijks. Het versieren van de boom is altijd ook een leuk moment. Ik begin altijd met een geel beertje. Dat dateert al uit de tijd dat ik een kind was. Mijn moeder nam ons mee naar de winkel, waar mijn broer, mijn zus en ik – mijn adoptiezussen maakten nog geen deel van het gezin uit – een “kerstbal” voor in de boom mochten uitkiezen. Ik koos een geel beertje met een groen giletje aan. Vele jaren later, toen mijn moeder niet meer allemaal gekleurde dingen in de boom wilde, kreeg ik ‘mijn’ beertje mee. En zo hang ik hem nu elk jaar bij mij thuis in de boom. Ja, dat zou ik missen. Ik geef toe, dat dit nostalgie is.

Mijn moeder hing tijdens de weken voor kerst ook altijd een kerstster met een lampje voor het raam. Zo’n ster heb ik niet, maar ik zou hem best willen hebben. Ik vind het wel een mooi symbool voor de adventstijd: uitzien naar het doorbreken van het licht in de duisternis. Het grote licht van de vrede voor alle mensen.

En zo zijn er vast wel meer dingen, die ik zou missen.

Tegelijkertijd kan me ook een heleboel gestolen worden. Alles wat er nu gebeurt rond de feestdagen… De winkels vol. Wat moet ik ermee? Wat zou er mis zijn met een lekker bordje boerenkool? Een pan erwtensoep?

Ho ho ho – daar komt de kerstman met zijn slee: ook daar heb ik niks mee.

Wanneer ik het kerstevangelie lees, gaat het over heel andere dingen, die zich daar niet mee laten verbinden. Niks geen jingle bells, jingle bells. Ik lees een verhaal over een hele harde wereld. Een kind dat wordt geboren in een stal: een kind waar dus eigenlijk geen plek voor is. Een verhaal met een hoge actualiteitswaarde in onze wereld vol vluchtende mensen.

Zouden we dat verhaal niet net zo goed op een ander moment in het jaar kunnen lezen?

Hoe gek is dit gedachte-experiment? Behoorlijk gek natuurlijk. Weinig realistisch.

Hoewel?

Het kerstfeest is een late ‘uitvinding’ van de kerk. In de eerste eeuwen van het bestaan van de christelijke geloofstraditie bestond er helemaal geen kerstfeest. Pasen was – en is – het feest dat de kern van alles vormt. En dat is niet moeilijk te begrijpen: zonder de verhalen over de gekruisigde die niet dood is maar leeft, zou er geen christelijke geloofstraditie zijn.

Het kerstfeest is pas eeuwen later ontstaan. We weten dat in het jaar 336 in Rome een soort kerstfeest is gevierd. Voor die tijd vierde men in Europa het zonnewendefeest – het feest van de geboorte van de onoverwinnelijke zon (natalis sol invictus). Toen het christendom steeds meer voet aan de grond kreeg wilde men dat zonnewendefeest kerstenen, christianiseren. Zo is het kerstfeest ontstaan. De eerste eeuwen van de christelijke geloofstraditie bestond er dus helemaal geen kerstfeest.

Daarom is het gedachte-experiment: stel dat er geen kerstfeest zou zijn, nog helemaal niet zo gek. Wat zou u, wat zou jij missen als het kerstfeest niet bestond?

Ondertussen: maak je geen zorgen. We zullen deze maand naar het feest van kerst toeleven: het zijn de adventsweken. En op 25 december zullen we het kerstfeest vieren. We zingen kerstliederen, we lezen het kerstevangelie.

En op kerstmorgen zal Gabriel van Andel worden gedoopt. Gabriel is de zoon van Guido en Irene van Andel, en broertje van Junia. Ze wonen in Trondheim in Noorwegen. Irene is de dochter van Christa Verhage.

Bij de naam Gabriel moet ik ook denken aan een andere bijbellezing. Laten we dat bijbelverhaal op kerstmorgen ook lezen.

Hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

Helemaal gratis!

De ene dag als dominee is altijd weer anders dan de vorige of de volgende. Dat komt door al die verschillende taken die je als dominee hebt. En door de mensen die er op je weg komen. Graag vertel ik nu iets over een bijzondere dag die ik meemaakte.

 We gaan terug naar een donderdag, eind september (het vorige nummer van ons kerkblad was nog niet verschenen, maar de tekst ervoor had ik al wel ingestuurd; daarom kan ik nu pas schrijven over wat ik eind september meemaakte).

Ik heb mijn witte toga uit de kast gepakt en heb hem met een van de stola’s er overheen opgehangen aan een spijker die in de muur zit onder het smalle hoge glas-in-lood raam in onze kerk. Ik doe dat omdat er bezoek komt.

Dienke Nijeboer verzorgt (binnen het kader van Levensbeschouwelijk Onderwijs) op de Floreant lessen over christelijk geloof. Zij heeft gevraagd of ze met groepen leerlingen op bezoek mag komen in de kerk. Natuurlijk kan dat. Donderdag 26 september komen ’s morgens eerst de groepen 5-6 in de kerk; ’s middags volgen de groepen 7-8.

 Wanneer de kinderen de kerk binnenkomen, geven ze me allemaal een hand en noemen ze hun naam. En dan gebeurt wat ik al ken van het oefenen voor de kerk-en-schooldiensten tijdens de afgelopen jaren. De kerk is een grote, hoge ruimte. Kinderen willen daarin het liefst rennen en heel veel lawaai maken. De juffen die meegekomen zijn, slagen erin om de kinderen allemaal op een stoel voorin de kerk te laten zitten. Ik stel me kort voor. Juf Dienke legt de kinderen uit wat de bedoeling is: in kleine groepjes mogen de kinderen door de kerk lopen. In een schrijfblokje mogen ze alle vragen opschrijven die in ze opkomen.

En daar gaan ze dan: de hele kerk door. Een voor een mogen ze op de preekstoel staan. Ze gaan naar boven op het balkon. Het liefst willen ze ook het trapje op naar het oude orgel. Maar dat mag niet. De kinderen uit groep 7-8 kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en gaan het hele gebouw door.

Als ze alles hebben bekeken mogen ze hun vragen stellen.

 Wat is die witte jurk? Die is van mij; die heb ik aan als ik een kerkdienst doe. Zal ik hem aantrekken? Jaaaaaaaa!, roepen de kinderen. Ik trek mijn ‘witte jurk’ over m’n hoofd – en even wordt het stil. Blijkbaar een spannend moment. Ben ik ineens iemand anders geworden? Misschien wel. En toch niet. Want ik praat nog steeds op dezelfde manier.

 Wat is dat grote boek?

Waarom heeft het zulke rare letters?

Hoe oud is het boek?

Ik vertel over de bijbel. Een meisje vraagt: wat vind jij het mooiste verhaal uit de bijbel?

 Wat staat er op die kaars?

Waarvoor is dat lantaarntje?

Waarom liggen daar stenen? We lezen de namen die erop staan: Dirk Hoekstra en Fokje Kuiken-de Bildt, en hun geboorte- en sterfdatum. En we praten even over blijven denken-aan-wie-gestorven-zijn.

Wanneer ze vragen naar de doopvont gaan we er met z’n allen omheen staan. We praten over wat de doop is. Zit er water in? Laten we eens kijken: de deksel eraf. Ja, er zit water in.

En wat doe je dan als je een kind gaat dopen?

Heel veel kinderen willen even het doopwater voelen.

’s Ochtends had ik er geen vers water in gedaan. Wat is dat water koud. Oh, maar als er een kind wordt gedoopt, doen we warm water in de doopvont. Daarom heb ik voor de middaggroep warm water in de doopvont gedaan.

Hoeveel kinderen heb jij gedoopt?

Wanneer ga je weer dopen? Over een paar weken. En hoe heet het kind? Intussen is Midas gedoopt.

En dan komt een van de meest bijzondere vragen: hoeveel kost het om gedoopt te worden? Het kost niks, het is helemaal gratis! ’s Middags wordt precies dezelfde vraag gesteld. Het doet me beseffen dat de kerk daarin bijzonder is. Want wat is er gratis in ons leven? De liefde van God!

 Is het leuk om dominee te zijn?

En wat verdien je als dominee? Ja, de kinderen vragen alles.

Waarom heb jij zoveel boeken? Eeeeh…, ja, hoe leg ik dat uit?

 Wat staat er op de ramen?

Dat is een vraag waar ik eens goed over na moet denken. Want ik heb vaak naar de ramen gekeken, maar wat zien we nou eigenlijk?

Ik vraag terug: wat zie jij? Wat zien jullie?

Ja, een mens; en handen. Er zit een gat in die handen. Dan zal het Jezus zijn. Maar wat zien we nog meer?

We zien iemand op de rug. Even zou je kunnen denken dat het een zaaier voorstelt. Dat zou passen bij het dorp Luttelgeest. Als we heel goed kijken kunnen we links en rechts nog twee andere gestalten onderscheiden.

Dan gaat het me dagen wat we zien: drie gestalten te midden van rode vurige vlammen. Het raam verbeeldt het verhaal uit Daniël 3: Sadrach, Mesach en Abednego, die door koning Nebukadnezar in een vurige oven worden geworpen.

Later op de middag komt Dirk Hoen de tafels en stoelen voor de kaartclub klaarzetten. En samen met hem kijk ik nog een keer naar de ramen. Helemaal rechts, wijst hij aan, kun je een schip zien.

Heb jij weleens goed naar de ramen gekeken? Wat zie jij?

 

Hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen

Een goed verhaal

Het nieuwe seizoen is weer begonnen. Een paar weken geleden – zondag 15 september – hadden we onze startzondag. Voor wie er niet bij was: dat was een mooie ochtend. De opstelling van de kerk was helemaal anders: de grote tafel stond voor het gebrandschilderde raam en in de kerkzaal overal tafels met stoelen eromheen. Het bleek dat we te weinig hadden neergezet. Er moesten tafels en stoelen bij. Dat heeft me enorm bemoedigd.

Naast de grote tafel stond op de startzondag de standaard met onze hele grote oude Bijbel. Dat was niet zonder reden. Ons jaarthema is: Een goed verhaal. Goede verhalen zijn er vele. Sommige zijn heel oud, andere ontstaan misschien vandaag. Je kunt zeggen, dat het in de kerk ook gaat om een goed verhaal. Dan denk ik aan het Evangelie: Gods goede boodschap voor alle mensen. Willen we weten wat Gods goede boodschap is, dan pakken we de Bijbel. Daarin vinden we het goede verhaal.

Daarom hebben we op de startzondag elkaar verteld wat je favoriete verhaal uit de Bijbel is. Rondlopend tussen de groepjes hoorde ik allerlei verhalen voorbijkomen. Wat is dat toch bijzonder, dat er zoveel verschillende stukken in de Bijbel zijn die je kunnen aanspreken, die je meedraagt in je hart, die jou te denken geven in je leven! Elk groepje maakte van een van die verhalen een verbeelding: een foto of een filmpje. De kinderen en jongeren maakten zelfs vier filmpjes. Tot slot van de viering hebben we elkaar de foto’s en filmpjes laten zien. Mooi dat dat tegenwoordig kan via de beamer. Zo hadden we weer een heel ander soort dienst met andere vormen die bij de tijd van nu passen.

Komend seizoen willen we op meer momenten stilstaan bij de Bijbel. Natuurlijk zullen we op zondag tijdens de dienst uit de Bijbel lezen. Maar ook op een paar andere momenten willen we wat nader naar een Bijbelgedeelte kijken.

Op maandagavond 7 oktober (20.00 in ons kerkgebouw) lezen we met elkaar de Brief van Paulus aan Filemon. Filemon woonde waarschijnlijk in de stad Kolosse in Klein-Azië. Paulus schrijft hem vanuit een gevangenis een persoonlijke brief. Die brief is niet zo bekend. Het is bijzonder dat deze brief bewaard is gebleven. Er zijn namelijk ook brieven van Paulus verloren gegaan. Kijk maar eens in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs (hoofdstuk 5, vers 9): blijkbaar is er vóór die eerste brief van Paulus aan de Korintiërs nog een eerdere brief aan de Korintiërs geweest. Maar die kennen we niet meer. En kijk ook eens in Kolossenzen 4:16. Blijkbaar is er ook een Brief van Paulus aan de Laodicenzen geweest. Maar ook die kennen we niet meer.

Op 7 oktober lezen we de hele brief van Paulus aan Filemon. Even zou je kunnen denken: pffff, een hele brief; maar meer dan één kantje is het niet. Ik zal er iets bij vertellen. En natuurlijk zullen we ook de vraag stellen wat die brief ons vandaag nu te zeggen heeft. Jullie zijn allen welkom!

Wie erbij waren tijdens de startzondag hebben ook al gehoord, dat ik wil proberen dit jaar bij alle groothuisbezoeken te zijn. We zijn gewend om dan ook op een of andere manier met het jaarthema bezig te zijn. Ik heb daarom nog weer een andere werkvorm bedacht hoe we met een Bijbelverhaal aan de slag kunnen. Zó aan de slag kunnen, dat het verhaal ons dichtbij kan komen.

Voorbereiding kerst

Dit nummer van het kerkblad verschijnt begin oktober. De herfst is net begonnen. Hoewel we ons daar nog niet van bewust zijn komt de decembermaand al weer snel dichterbij. Daarom nu de vraag: wie wil er meewerken aan de voorbereiding van de dienst van kerstmorgen?

Voor nu: hartelijke groeten,

  1. Dirk van Keulen

Naar Amerika – Op de drempel van een nieuw seizoen

Na vijf weken niet in Luttelgeest te zijn geweest ben ik vandaag (maandag 19 augustus) weer terug. Vijf weken is een lange periode. Drie van de vijf weken waren vakantie. De twee laatste weken was ik in Amerika in verband met mijn andere baan. Sommigen van u hebben zich afgevraagd: wat doet hij daar toch?

 

Ik verbleef in Grand Rapids in de staat Michigan. Dat is in het Noorden van de Verenigde Staten, tussen de steden Chicago en Detroit. Elke dag liep ik vanaf het hotel naar Calvin Theological Seminary. In een leslokaal werkten we in een team van vijf mensen (John Bolt, Nelson D. Kloosterman, Jessica Joustra, Antoine Theron en ikzelf) aan de Engelse uitgave van mijn nieuwe boek. Dat nieuwe boek is een uitgave van een niet eerder gepubliceerd manuscript van de theoloog Herman Bavinck.

Bavinck (1854-1921) geldt als een van de belangrijkste Nederlandse theologen van het laatste deel van de negentiende en het eerste deel van de twintigste eeuw. Hij is korte tijd dominee geweest in Franeker (1881-1883). Daarna was hij van 1883-1902 professor aan de Theologische School te Kampen en van 1902-1921 professor aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Bavinck is vooral beroemd geworden door zijn in vier delen uitgegeven Gereformeerde Dogmatiek. Aan de hand van die vier boeken zijn vele generaties dominees opgeleid in het vak van de dogmatiek. In dat vak wordt geprobeerd onder woorden te brengen wat we geloven.

Die Gereformeerde Dogmatiek is enkele jaren geleden in het Engels vertaald: Reformed Dogmatics. Behalve in Amerika worden de boeken ook op vele andere plaatsen gelezen. Waar Bavinck in Nederland nu meestal wordt gezien als een theoloog uit het verleden, wordt hij op dit moment buiten Nederland gewaardeerd als een theoloog wiens werk het waard is om telkens opnieuw bestudeerd te worden.

 

Een paar jaar geleden ontdekte ik in het Bavinck Archief een onbekend manuscript. Het heeft de titel: Gereformeerde Ethiek. Ondanks het feit dat het heel omvangrijk is – bijna 1.100 met de hand geschreven bladzijden –, is het onvoltooid. Bavinck is van plan geweest om het net als zijn Gereformeerde Dogmatiek als boek uit te geven. Beide werken hadden naast elkaar moeten staan op de boekenplank en samen gelezen. Ze sluiten namelijk naadloos op elkaar aan. Bavinck heeft zo het gereformeerde denken over de dogmatiek (de geloofsleer) en de ethiek willen actualiseren.

Waarom hij zijn Ethiek niet heeft voltooid weet ik niet. Misschien was hij na er jaren aan te hebben gewerkt toch niet tevreden en vond hij dat er een stuk over ‘filosofische ethiek’ aan vooraf moest gaan. Het zou ook kunnen dat hij op de Vrije Universiteit zijn collega Geesink, die verantwoordelijk was voor het vak ethiek, niet voor de voeten heeft willen lopen.

Ook al is het boek onvoltooid, toch verdient de tekst het om alsnog te worden uitgegeven. De Nederlandse versie van het boek wordt op 19-20 september gepresenteerd op een conferentie in Kampen.

Voor de Engelse vertaling en bewerking ben ik afgelopen vijf jaar naar Grand Rapids geweest. Die Engelse versie zal ik drie delen verschijnen: Reformed Ethics.

Tot zover over de vraag wat ik in Amerika deed.

 

Dan nu nog enkele woorden over het nieuwe seizoen, dat op het punt staat te beginnen. Het nieuwe seizoen staat evenals de jaren hiervoor in het teken van het jaarthema van de Protestantse Kerk in Nederland. Was vorig jaar het thema: ‘Een goed gesprek’ – dit komende jaar is het thema: ‘Een goed verhaal’.

Dat is een thema waar je vele kanten mee op kunt. Zo kun je bijvoorbeeld denken aan levensverhalen. Wat maakt het verhaal van een leven, van jouw leven, tot een goed verhaal?

We kunnen ook denken aan de Bijbel. De verhalen over Jezus’ leven noemen we ook wel: het Evangelie. Dat Evangelie is een goed verhaal. Je kunt ook zeggen: de hele Bijbel samen vormt een goed verhaal.

Zo nodigt het jaarthema van de PKN ons uit er een Bijbeljaar van te maken. Dat kan natuurlijk op vele manieren. Elders in dit nummer vindt u een overzicht van activiteiten voor komend seizoen. Daar zitten een paar Bijbelavonden bij: zo gaan we een avond Bijbelvertalingen vergelijken; op een andere avond lezen we een onbekende Brief van Paulus (die aan Filemon); en op nog weer een andere avond gaan we na hoe de gereformeerden in de twintigste eeuw hebben gedacht over de Bijbel (daar zal ik over vertellen – het was het thema van het boek waarop ik ben gepromoveerd).

 

Ook op de startzondag zullen we aandacht besteden aan het thema: Een goed verhaal. Neem op de startzondag een Bijbel mee naar de kerk. Het maakt niet uit welke vertaling. En denk vast wat na over de vraag wat jouw favoriete Bijbelverhalen zijn. Zoek ze vast op, en leg zo nodig een briefje bij de bladzijde(n) waar je het vindt. Neem ook je telefoon mee naar de kerk. Misschien heb je die tijdens de dienst nodig!

 

Met hartelijke groeten,  ds. Dirk van Keulen.

Het Luthers avondgebed – 2. In Nederland en de muziek

In het vorige nummer hebben we stilgestaan bij de tekst van wat wordt genoemd: het ‘luthers avondgebed’. Nu nog wat over de weg van dit gebed in Nederland en over de muziek waarop het kan worden gezongen.

 

We zijn in Nederland voor het eerst in aanraking gekomen met het ‘luthers avondgebed’ dankzij Willem Jan Kooiman (1903-1968). Kooiman is luthers predikant geweest in Wildervank (1927), Deventer (1929) en Amsterdam (1934-1945). Van 1945-1968 was hij hoogleraar aan het Evangelisch-Luthers Seminarium aan de Universiteit van Amsterdam.

Kooiman hield begin jaren vijftig een dagsluiting voor de NCRV-radio, waarin hij zijn vertaling van het avondgebed van Dieffenbach uitsprak. Er werd positief op gereageerd. Daarom werd de tekst opgenomen in de liedbundel Uit hart en mond (in 1953 uitgegeven door de Nederlands Lutherse Jeugdbond).[1]

Twintig jaar later werd de tekst breder bekend, omdat hij werd afgedrukt in het Liedboek voor de Kerken (1973), onder Lied 384. Als je dat vroegere liedboek nog hebt, zoek dan pagina 563 eens op. Dan zie je hoe in de manier waarop het gebed staat afgedrukt, is geprobeerd de structuur van de tekst zichtbaar te maken.

Zo raakte het ‘luthers avondgebed’ breed verspreid. Mensen gingen het gebed gebruiken ter afsluiting van bijvoorbeeld vergaderingen. Tevens kwam op zeker moment de vraag op of het gebed niet kon worden gezongen.

 

Twee predikanten, Hans Mudde (geb. 1939) en André F. Troost (geb. 1948), die beiden een eigen liedbundel hebben uitgebracht, hebben het gebed omgewerkt tot een lied dat kan worden gezongen. Anders dan de vertaling door Kooiman, zijn deze liederen strofisch van aard: ze zijn verdeeld in strofen, in coupletten.

De versie van Troost, die is te vinden in zijn in 1995 voor het eerst verschenen liedbundel Zingende gezegend, luidt:

 

Blijf bij ons Heer, wanneer de nacht zal komen –

nu wordt het stil en donker om ons heen.

Blijf bij ons, als ons alles wordt ontnomen,

Heer, laat uw kerk, uw schepping niet alleen.

 

Blijf ons nabij, al gaan wij eigen wegen;

blijf in uw goedheid naar ons toegewend

met uw genade, met uw troost en zegen,

blijf bij ons, Heer, in woord en sacrament.

 

Blijf ons nabij, als ons zal overkomen

de bange nacht vol twijfel, angst en nood,

blijf, als beproeving strijdt met onze dromen,

blijf, ook al dreigt de strenge, bitt’re dood.

 

Blijf bij ons Heer, hoever van huis wij zwerven,

blijf, wat dan ook ons van elkander scheidt,

blijf bij ons, Heer, in leven en in sterven,

blijf bij ons, Heer, in tijd en eeuwigheid.[2]

 

Dit lied is te zingen op de melodie van Psalm 12.

De versie van Mudde, die ik vind in zijn liedbundel Op de wijze van het lied (2005), luidt:

 

Blijf bij ons Heer, want het is avond

en komen zal weldra de nacht,

blijf bij uw kerk alom op aarde,

bij al wie op uw bijstand wacht.

 

Blijf bij ons allen aan de avond

van elke dag door U bereid

en aan de avond van het leven

en van de wereld mettertijd.

 

Blijf bij ons, Heer, met uw genade

en goedheid naar ons toegewend,

blijf bij ons met uw troost en zegen

en met uw Woord en Sacrament.

 

Blijf bij ons, als de nacht zal komen

van strijd, beproeving, angst en nood,

de nacht van aanvechting en twijfel

en van de strenge bittre dood.

 

Blijf bij ons, Heer, in al het duister

dat over ons wordt uitgespreid,

ja, blijf in leven en in sterven

bij ons, in tijd en eeuwigheid.[3]

 

In de liedbundel van Hans Mudde zijn twee melodieën (van Jaap Dragt en Jan van Rossem) opgenomen waarop het lied kan worden gezongen. Daarom heeft deze liedbundel de nummers 94A en 94B.

 

Mensen bleken echter ook gehecht aan de vertaling van Kooiman. Dat zal wel komen doordat deze vertaling, opgenomen als hij was in het Liedboek voor de Kerken, breed verspreid en bekend is geraakt. Wanneer je eens goed naar de teksten van Troost en Mudde kijkt, zie je al snel dat deze op de vertaling van Kooiman zijn gebaseerd.

Vanwege die gehechtheid – en ook omdat in kringen binnen de Protestantse Kerk werd en wordt gezocht naar liturgievernieuwing: niet meer alleen liederen in een aantal coupletten, maar ook andere manieren van zingen – is de vertaling van Kooiman ook op muziek gezet.

In 1998 verschenen er drie muzikale versies. Twee vinden we er in het eerste deel van het Dienstboek. Deze staan op naam van Wilhelm Löwe/lutherse werkgroep en van Wilhelm Löwe/Nico Vlaming.[4]

De derde verscheen in Deel 6 van de bundel Zingend geloven  (Deze bundeltjes kwamen uit als een aanvulling op het Liedboek voor de Kerken en waren bedoeld als bijdrage tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied). De melodie is van de rooms-katholieke priester en componist Jan Valkestijn (1928-2017).[5] Deze melodie is met een kleine wijziging als Lied 202 terechtgekomen in ons Liedboek. Door de kleine wijziging in de muziek valt de klemtoon niet meer op ‘ons’ – Blijf bij ons – maar op ‘Blijf’. In deze versie ontbreekt het ‘Heer’ aan het begin als aanspreking van God. Dat is natuurlijk niet erg. Als je begint met: ‘laten we bidden’, is voor iedereen duidelijk tot wie de woorden gericht zijn. Ook zijn er veel meer liederen waarin God niet met een woord als ‘Heer’ wordt aangesproken, die toch wel een gebed zijn.

 

Het was deze laatste versie – Lied 202 uit het Liedboek – die ik zong aan het slot van ons samenzijn op Goede Vrijdag. Waarom koos ik daarvoor? Allereerst vind ik het ‘luthers avondgebed’ een passende afsluiting van de dienst op Goede Vrijdag. In die dienst klonken Jezus’ woorden aan het kruis: ‘mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ (Mat. 27:46). Is het dan niet passend dat we aan het slot bidden om Gods nabijheid? En dat daarbij ook die woorden klinken over de nacht van twijfel en aanvechting, de nacht van de strenge bittere dood.

Maar waarom koos ik dan voor Lied 202 uit het Liedboek? En is dat niet ‘rooms’?! – zoals wel werd opgemerkt.

Eerst over de keuze. Afgelopen jaren heb ik het ‘luthers avondgebed’ vaker gebruikt op Goede Vrijdag. Maar dan las ik de tekst. Je kunt ook ‘spelen’ met liturgie. Daar houd ik wel van. Het hoeft niet altijd op dezelfde manier. Daarom was er dit jaar op Paasmorgen niet één preek, maar waren er twee korte overwegingen. En daarom ben ik ook rond Hemelvaartsdag en

 

Pinksteren afgeweken van wat gebruikelijk is. Toen ik bij de voorbereiding van de liturgie voor Goede Vrijdag de tekst van het ‘luthers avondgebed’ in het Liedboek zocht – ik ken de tekst nog niet foutloos uit het hoofd –, werd ik me ervan bewust dat het kan worden gezongen. Dat is weer eens wat anders dan het gebed lezen. Ik was me eerlijk gezegd niet ervan bewust dat het ‘luthers avondgebed’ op minstens zes manieren kan worden gezongen (Troost, Mudde, Dienstboek 2x, Zingend geloven, Liedboek). Ik kende alleen de versie uit het Liedboek.

En dan: is de versie die ik zong niet ‘rooms’?! Ik kan me voorstellen dat de associatie met de rooms-katholieke kerk opkwam. Dat komt omdat de melodie van Jan Valkestijn is geënt op het gregoriaans. Het gregoriaans is een manier van zingen met heel oude papieren: ontstaan vóór het jaar duizend van onze jaartelling. Meer dan vijf eeuwen dus, vóórdat de kerk scheurde in de rooms-katholieke en verscheidene protestantse tradities. Binnen de rooms-katholieke traditie is de gregoriaanse manier van zingen – een andere manier van zingen – beter bewaard dan in al die protestantse tradities in Nederland. Daarom kan ik me voorstellen dat bij Lied 202 de gedachte aan de rooms-katholieke traditie kan opkomen.

Is dat laatste een probleem? Ik zou eerlijk gezegd niet weten waarom. Zou Lied 202 in het Liedboek zijn opgenomen en zou de Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland dit Liedboek ‘met vreugde en dankbaarheid’ aan de gemeenten hebben aangeboden ‘als Psalm- en Gezangboek van de Protestantse Kerk’ als het wel een probleem zou zijn? En waarom zouden we toch altijd weer in hokjes denken? Willen we niet kerk voor het hele dorp zijn?

[1].    Ik ontleen dit aan: Hans Jansen, ‘Luthers Avondgebed – Lucas 24,29’, te vinden op de website: https://www.hans-jansen.com/?page=artikel&id=14.

[2].    André F. Troost, Zingende gezegend, Zoetermeer 20144, Lied 249.

[3].    Hans Mudde, Op de wijze van het lied. Liederen, Zoetermeer 2005, Lied 94A/94B.

[4].    Dienstboek. Een proeve. Schrift. Maaltijd. Gebed, Zoetermeer 1998, Lied 146 en 147 (pag. 749-752).

[5].    Zingend geloven. Bijdragen tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied, Deel 6, Zoetermeer 1998, Lied 110.

Het Luthers avondgebed – 1. de tekst

HET ‘LUTHERS AVONDGEBED’ – 1. DE TEKST

Op de avond van Goede Vrijdag dit jaar besloten we ons samenzijn in de kerk met wat wordt genoemd: het ‘luthers avondgebed’. In twee keer wil ik er wat nader bij stilstaan. Nu eerst over de tekst.

Oorspronkelijk is het gebed geschreven in het Duits. Auteur is niet – wat je misschien even zou denken – Maarten Luther, maar de veel later levende Duitse predikant en dichter Georg Christian Dieffenbach (1822-1901). Hij kwam wel uit de lutherse traditie. Laten we eerst de Duitse tekst lezen. Daaronder staat de Nederlandse vertaling:

Bleibe bei uns, Herr,
denn es will Abend werden,
und der Tag hat sich geneigt.
Bleibe bei uns und bei deiner ganzen Kirche.
Bleibe bei uns am Abend des Tages,
am Abend des Lebens,
am Abend der Welt.

Bleibe bei uns mit deiner Gnade und Güte,
mit deinem heiligen Wort und Sakrament,
mit deinem Trost und Segen.
Bleibe bei uns, wenn über uns kommt
die Nacht der Trübsal und Angst,
die Nacht des Zweifels und der Anfechtung,

die Nacht des bitteren Todes.
Bleibe bei uns und allen deinen Gläubigen
in Zeit und Ewigkeit.
Amen

En in Nederlandse vertaling (door W.J. Kooiman):

Heer, blijf bij ons,

want het is avond

en de nacht zal komen.

Blijf bij ons en bij uw ganse kerk

aan de avond van de dag,

aan de avond van het leven,
aan de avond van de wereld.

Blijf bij ons met uw genade en goedheid,
met uw troost en zegen,

met uw woord en sacrament

Blijf bij ons, wanneer over ons komt
de nacht van beproeving en van angst

de nacht van twijfel en aanvechting

de nacht van de strenge, bittere dood.

Blijf bij ons in leven en in sterven

in tijd en eeuwigheid.
Amen

Door een deel van de zinnen te laten inspringen heb ik geprobeerd de structuur van de tekst zichtbaar te maken. Het begint met wat wordt genoemd: de aanhef: ‘Heer blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen’.

Daarna kunnen in de tekst enkele gedeelten worden onderscheiden. Deze beginnen telkens met: ‘Bleibe bei uns’ – ‘Blijf bij ons’. In het Duitse origineel zou je kunnen zeggen, dat het vijf gedeelten zijn; in het Nederlands zijn het er vier (want de eerste en tweede inzet met ‘Bleibe bei uns’, worden in de Nederlandse vertaling samengenomen). De laatste kun je ‘slot’ noemen.

De kernwoorden van de aanhef ‘Blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen’  worden in het vervolg verder uitgewerkt. Drie woorden staan centraal:

–   Avond – van de dag, van het leven, van de wereld;

–   Blijf bij ons – met genade en goedheid, troost en zegen, woord en sacrament;

–   Nacht – van beproeving en angst, twijfel en aanvechting, de strenge bittere dood.

Er zit een beweging in de tekst. In de aanhef wordt God aangeroepen: ‘Blijf bij ons’ (en bij de kerk). Het is een avondgebed. Daarom vervolgt de tekst met een paar uitwerkingen van de avond: van de avond van de dag, via de avond van het leven, gaan we naar de avond van de wereld – de kring wordt steeds breder getrokken.

In het midden wordt met drie woordcombinaties God gebeden om wat wij nodig hebben, om dat wat ons leven draagt: genade en goedheid, troost en zegen, woord en sacrament (let op het verschil in volgorde van de twee laatste woordcombinaties in het Duitse origineel en de Nederlandse vertaling). Daarmee kunnen we nacht in. Maar die nacht kan zwaar zijn: beproeving en angst, twijfel en aanvechting kunnen over je komen; zelfs de strenge, bittere dood.

Daarom sluit het gebed af met een laatste roep tot God om nabijheid – in leven en in sterven, in tijd en eeuwigheid.

Dieffenbach zou het gebed weleens kunnen hebben gemaakt met een lied in zijn achterhoofd: ‘Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ’. We vinden dat lied in Nederlandse vertaling in ons Liedboek onder nummer 240. Ook dat is een avondlied, afkomstig uit de lutherse traditie. Het eerste couplet zou zelfs afkomstig zijn van Philippus Melanchthon (de naaste medewerker van Luther).[1]

Verschillende elementen uit het gebed vinden we ook in dit lied: blijf bij ons, avond (couplet 1), woord en sacrament (couplet 2), zegen (couplet 3), kerk, genade (couplet 4). De volharding en standvastigheid (couplet 2) kunnen we ook wel verbinden met wat het gebed zegt over de nacht.

Ten slotte wijs ik op het verschil in de vertaling van het slot:

Bleibe bei uns und allen deinen Gläubigen
in Zeit und Ewigkeit.

Blijf bij ons in leven en in sterven

in tijd en eeuwigheid.

Dieffenbach lijkt met ‘Kirche’ (aan het begin van het gebed) en ‘Gläubigen’ de kring te beperken tot de leden van de kerk/de gelovigen: voor hen wordt gebeden. In de Nederlandse vertaling ontbreken die ‘gelovigen’. In plaats daarvan vinden we: ‘in leven en in sterven’. Zo wordt er meer een eenheid van het slot gemaakt: van ‘de strenge bittere dood’, via ‘in leven en in sterven’, naar ‘in tijd en eeuwigheid’. Door in plaats van de ‘gelovigen’ te bidden voor ‘ons’ wordt grotere eenheid in de tekst tot stand gebracht (het ‘ons’ van het slot sluit aan bij het ‘ons’ van de aanhef en het herhaalde ‘Blijf bij ons’) en kan de kring van mensen waarvoor gebeden wordt ook ruimer worden gedacht (het ‘ons’ kun je opvatten als ‘ons mensen’). Zo zie je dat een vertaling ook altijd een interpretatie is.

In een op internet te vinden artikel van kerkmusicus Hans Jansen las ik een mooie waardering van het avondgebed van Dieffenbach:

‘Het is de verdienste geweest van deze Dieffenbach dat hij een gebed heeft gemaakt waarin geen woord te veel of te weinig staat en ook na jarenlang gebruik niets aan waarde inboet. De kracht van de herhaling wordt hier tot het uiterste benut, de logische indeling en de korte kernachtige zinnen maakt dat dit gebed snel uit het hoofd kan worden geleerd. Het feit dat niet goedkoop besloten wordt met de tweede strofe (genade en goedheid) maar met de beproeving en de angst, maakt dat dit gebed midden in de tijd staat, midden in het leven. Genade en goedheid zijn aanwezig, maar hebben voorlopig nog niet het laatste woord. De nacht van twijfel en aanvechting kan alleen maar achter ons worden gelaten door er doorheen te gaan’.[2]

Tot zover over de tekst. Volgende keer over de weg van dit gebed in Nederland en over de muziek.

Met hartelijke groeten, Ds. Dirk van Keulen

[1].    Dat staat niet aangegeven bij Lied 240 in ons Liedboek. We vinden dat wel in: Evangelisches Gesangbuch (ik gebruikte de ‘Ausgabe für die Nordelbische Evangelisch-Lutherische Kirche’, Hamburg/Kiel 1994), Lied 246: ‘Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ’.

[2].    Hans Jansen, ‘Luthers Avondgebed – Lucas 24,29’, te vinden op de website: https://www.hans-jansen.com/?page=artikel&id=14. Ik ontleen meer informatie aan dit artikel.

Bijbels, Bijbels

Ik ben van jongs af aan in aanraking gekomen met de Bijbel. Hoe jong ik was toen mij voor het eerst een Bijbelverhaal werd voorgelezen kan ik me niet herinneren. Evenmin welk verhaal dat was. Wel herinner ik me nog heel goed, hoe in het gezin waarin ik opgroeide elke warme maaltijd werd besloten met een stukje uit de Bijbel (waarna elk kind een ‘passende’ vraag kreeg over wat gelezen was – wat ik niet zo leuk vond).

Jarenlang was dat een kinderbijbel. Daarvan zijn er vele. Ik herinner me in elk geval dat in ons gezin jarenlang werd voorgelezen uit de kinderbijbel van Anne de Vries. Later werd deze ingeruild voor de kinderbijbel Woord voor woord van Karel Eykman en Bert Bouman. Die sprak me wat meer aan.

Tegenwoordig zijn er heel veel andere kinderbijbels. Die hebben allemaal zo hun eigen insteek en hun eigen verhaalprincipes. Die ontdek je al snel, door hetzelfde Bijbelverhaal uit verschillende kinderbijbels eens naast elkaar te leggen.

In de boekwinkel vinden we naast al die kinderbijbels nu een veelvoud aan Bijbelvertalingen. Natuurlijk is de aloude Statenvertaling nog verkrijgbaar. Deze verscheen voor het eerst in 1637. Er is geen boek dat een grotere invloed op de Nederlandse taal heeft gehad dan deze oude Statenvertaling. Daarnaast staat tegenwoordig ook de herziene Statenvertaling, waarin is geprobeerd de oude Statenvertaling meer bij de tijd te brengen.

Ik ben – later thuis, in de kerk en op catechisatie – opgegroeid met de NBG-vertaling van 1951. Toen ik theologie studeerde kreeg ik oog voor de verschillen in vertalingen. Als student kocht ik naast Statenvertaling en NBG-1951 daarom al snel de door de Katholieke Bijbelstichting uitgegeven Willibrordvertaling van 1975. Later tijdens mijn studie kwam er een nieuwe Willibrordvertaling (1995) uit. Ook die gebruikte ik wel.

De laatste jaren verschijnt de ene na de andere Bijbelvertaling. In de kerk lezen we meestal de Nieuwe Bijbelvertaling (2004). Af en toe, bijvoorbeeld bij doopdiensten, gebruik ik ook weleens de Bijbel in Gewone Taal (2014). Die is wat directer van taal. Bij de voorbereiding van een preek gebruik ik ook de Naardense Bijbel (2004; herziene versie 2014).

Al die Bijbelvertalingen laten zien dat de vertaling van de Bijbel nog niet zo’n eenvoudige zaak is. Elke vertaling is ook onmiddellijk een interpretatie. Wanneer je drie vertalingen naast elkaar legt – bijvoorbeeld Naardense Bijbel, Nieuwe Bijbelvertaling en NBG-1951 – ontdek je bovendien al heel snel waar de vertaalproblemen zitten.

Toen ik laatst in een boekhandel was, zag ik daar nog iets anders tussen de Bijbels staan: een ‘Mannenbijbel’ en een ‘Vrouwenbijbel’. Wat zullen nou hebben?, dacht ik. Een Bijbel speciaal voor mannen en een Bijbel speciaal voor vrouwen?

Beide Bijbels, de ‘Mannenbijbel’ en de ‘Vrouwenbijbel’, blijken de tekst van de herziene Statenvertaling te bevatten. Er even in bladerend ontdekte ik ook extra informatie en een soort meditaties. Ik heb er niet verder in gelezen. Dus veel kan ik er niet over zeggen. Maar mij bekroop toch wel het gevoel: is dit niet een commercialisering van de Bijbel?

Ik dacht dat de Bijbel voor iedereen is – zonder onderscheid. Dat er kinderbijbels bestaan vind ik een goede zaak. Maar Bijbels speciaal voor mannen of voor vrouwen, is dat nou nodig? Zouden we niet juist als vrouwen en mannen dezelfde Bijbel moeten lezen? En diezelfde Bijbel samen als mannen én vrouwen lezen? Kan zo niet juist de rijkdom van de Bijbel aan het licht komen?

Met hartelijke groeten, Dirk van Keulen

De kern van het verhaal

We zijn midden in de veertigdagentijd. Die periode van bezinning, van jezelf afvragen hoe het met je gaat. Ik schreef er in het vorige nummer over. Doe je nog iets in deze periode wat je de rest van het jaar niet doet? Lees je iets? Luister je naar muziek die past bij deze tijd van het jaar?

Nu wil ik de blik vooruit richten – de weken die voor ons liggen. Eerst nog het tweede deel van de veertigdagentijd. En dan komt het feest van Pasen. Dat feest van Pasen is de kern van de zaak. Of beter gezegd, met de titel van dit stukje: de kern van het verhaal.

Het verhaal – verhalen spelen een grote rol in ons leven. Wij allen hebben onze eigen verhalen en gezamenlijke verhalen. Met die eigen verhalen bedoel ik: verhalen over de gang van ons eigen leven. De dingen die we meemaken, de dingen die gebeuren. Omdat we allemaal andere dingen meemaken, heeft ieder haar of zijn eigen verhaal. Die verhalen vertellen we aan elkaar: moet je horen wat ik gisteren zag – en dan begin je erover te vertellen.

We hebben ook verhalen die we delen. Verhalen over het gezin waarin we zijn opgegroeid. Met je broer of je zus kun je er vaak goed over praten: weet je nog toen…. Of verhalen over wat er in het dorp is gebeurd. Die gaan over gedeelde ervaringen.

Door verhalen te vertellen houden we de herinneringen levend en leren we de dingen die er zijn gebeurd te duiden.

 Het christelijk geloof heeft ook eigen verhalen. We vinden ze in de Bijbel. Op allerlei manieren kom je met de verhalen in aanraking. Wanneer je in een christelijk gezin bent opgegroeid, heb je de verhalen van huis uit meegekregen. Toen ik opgroeide werd er bij ons thuis na de warme maaltijd altijd een verhaal uit de Bijbel voorgelezen. Ik hoorde ze ook op school. En in de kerk natuurlijk.

Het christelijk geloof zou je ook kunnen zien als één groot verhaal. Natuurlijk bestaat het uit allemaal kleinere verhalen. Maar die verhalen horen toch bij elkaar. Er loopt als het ware een rode draad doorheen, die ze verbindt.

Op die rode draad doel ik, wanneer ik denk aan de ‘kern’ van het verhaal. Daarmee bedoel ik: het hart, het kloppend hart, dat met alles in verbinding staat. Dat kloppende hart is het verhaal van Pasen. Zouden Jezus’ vriendinnen en vrienden niet op de morgen van Pasen de ervaring hebben opgedaan dat Jezus niet dood is maar leeft, dan zou er nooit de traditie van het christelijk geloof zijn ontstaan. Dan was de Bijbel zoals wij die nu kennen (de bundeling van Oude én Nieuwe Testament) er niet geweest. Dan was er geen christelijke kerk geweest. Dan had het dorp er anders uitgezien. Die drie kerkgebouwen die in de beginjaren van het dorp zijn gebouwd waren er dan nooit geweest. Hoe anders zouden onze levens er dan hebben uitgezien!

Daarom kijk ik elk jaar uit naar het feest van Pasen. En niet alleen naar Paasmorgen. Maar naar die reeks van diensten, die uitmondt in de Paasmorgendienst. In een paar diensten achter elkaar horen we elk jaar opnieuw de kern van het verhaal.

 Eerst Witte Donderdag (18 april). We zullen horen van een maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Jezus wast hun voeten. En bij die maaltijd heeft Jezus ook brood gebroken en uitgedeeld en woorden gesproken bij een beker met wijn. Daarom vieren we ook het avondmaal. We doen dat staande in een kring (en als je niet al die tijd kunt staan, dan zetten we natuurlijk een stoel voor je in de kring). De kring drukt uit hoe we bij elkaar horen. En de kring is ook open: iedereen is welkom.

 Een dag later, Goede Vrijdag, lezen we het verhaal van Jezus’ arrestatie, het verhoor, de kruisiging en zijn dood. We wisselen het af met liederen, een gedicht, muziek. We zijn stil. En we zullen bidden. Ik heb nooit veel gezegd in de diensten op Goede Vrijdag. Dat zal ik ook dit jaar niet doen. Het horen van het verhaal is genoeg.

In sommige kerken wordt aan het eind van de dienst op Goede Vrijdag de Paaskaars uitgeblazen. Daar heb ik moeite mee. Het is een krachtig ritueel: dan wordt het echt donker. Aan het kruis heeft Jezus uitgeroepen: ‘mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Dat is een ervaring die we kunnen delen. Ook wij kunnen het gevoel hebben dat God ons verlaten heeft. Maar ik kan niet geloven dat, hoe donker het in het verhaal van de levens van mensen ook kan worden, God echt weg is. Daarom mag van mij dat ene vlammetje blijven branden: als teken dat God er toch is.

 Op zaterdagavond bereiden we ons voor op het feest van Pasen. Vanouds is de dienst op de avond en in de nacht voor Pasen een bijzondere dienst. In de oude kerk nam men er uitgebreid de tijd voor. Er werden verhalen uit de Bijbel gelezen. Vaak waren dat twaalf verhalen. Ze kwamen allemaal uit het Oude Testament. Het zijn verhalen die ons kunnen helpen om de boodschap van Pasen te verstaan. Want in alle verhalen gaat het erom, hoe God toekomst schept. Bijvoorbeeld in het verhaal over de schepping. Maar ook in het verhaal over de doortocht door de Rode Zee. Daar gaat het dus om in het feest van Pasen: God schept toekomst – het laatste woord is niet aan de dood.

In de dienst op zaterdagavond zullen een paar van die oude lezingen klinken. En we zullen opnieuw opstaan van onze stoel en weer een kring vormen. Nu rond de doopvont. De Paasnacht was in de vroege kerk het moment waarop mensen werden gedoopt. Daarom zullen wij terugdenken aan onze eigen doop.

 En ten slotte volgt op Paasmorgen de kern van het verhaal: we lezen het opstandingsverhaal. En we zingen erover. Want over dingen die moeilijk te begrijpen of moeilijk te geloven zijn, kun je soms maar beter zingen.

De kinderen zijn deze veertigdagentijd al bezig om zich erop voor te bereiden. In de kindernevendienst zijn ze bezig om een tuin te maken. Een tuintje voor in de kerk. Dat vind ik mooi. Het doet me denken aan een zin uit een lied (in ons Liedboek nummer 978): een tuin bloeit rond het open graf.

 Welkom in de diensten rond Pasen!

 Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen

Veertigdagentijd – Vastentijd

Dit nummer komt uit in de eerste week van maart. Op de eerste woensdag van maart (6 maart) is het dit jaar Aswoensdag. Deze dag markeert het begin van de veertigdagentijd. Dat is elk jaar opnieuw een bijzondere periode.

Daarom is het goed er in dit nummer van ons kerkblad even bij stil te staan.

Veertigdagentijd: dat is de periode van Aswoensdag tot Pasen – dit jaar van woensdag 6 maart tot en met zondag 21 april. Als je je agenda er even bijneemt, kan al snel de vraag bij je opkomen: hoezo veertigdagentijd? Kunnen ze in de kerk niet tellen? Want als je van woensdag 6 maart doortelt tot zondag 21 april, dan kom je toch op meer dan veertig dagen uit?

Laten we eerst even stilstaan bij het getal veertig. Dat is een getal dat op allerlei plaatsen in de bijbel opduikt. Zo lezen we bijvoorbeeld in Genesis 7, dat het veertig dagen en veertig nachten lang stortregent terwijl Noach met zijn gezin en de dieren in de Ark schuilt. In het boek Exodus (24:18 en 34:28) horen we dat Mozes veertig dagen en veertig nacht op de berg verblijft voordat hij van God de Tien Geboden ontvangt. De tocht van het volk Israël door de woestijn naar het beloofde land duurt veertig jaar. En Jezus brengt veertig dagen en veertig nachten vastend in de woestijn door voordat hij door de duivel op de proef wordt gesteld (Mt. 4:1-11; Mk. 1:12-13; Lk. 4:1-13).

Al vroeg in de geschiedenis van de christelijke kerk – ongeveer derde-vierde eeuw – ontstond de gewoonte om je veertig dagen op het feest van Pasen voor te bereiden. Het is bedoeld als een periode van bezinning, een tijd om even stil te staan en je af te vragen waar je staat en hoe het met je gaat. Ben je gelukkig? Wat schenkt je geluk? Waar ben je onrustig over? Waar loop je voor weg? Schuif je iets voor je uit? Hoe zijn de relaties met mensen om je heen? Hoe is je relatie met God?

Vaak werd er in die periode ook gevast. Ook dat heeft bijbelse wortels.

Maar waarom noemt men dan de periode van Aswoensdag tot Paasmorgen veertigdagentijd, terwijl als je goed telt het meer dan veertig dagen zijn? Het antwoord is niet zo moeilijk: de zondagen tellen niet mee! Zo kom je precies op veertig uit.

De reden waarom de zondagen niet meetellen, is dat elke zondag eigenlijk ook een Paasdag is. Elke zondag is er voor ons de mogelijkheid om bij elkaar te komen en samen de bijbel te lezen, te zingen, te bidden, enz. Dat is natuurlijk ook een soort gewoonte. En vaak beseffen we niet meer dat elke zondag ook herinnert aan Pasen.

Die veertigdagentijd brengen we als het ware samen met Jezus door in de woestijn. Daarom wordt traditioneel op de eerste zondag in de veertigdagentijd dat verhaal over de beproeving van Jezus in de woestijn gelezen. Het is een verhaal dat ons bepaald bij de vraag waar voor ons beproevingen en uitdagingen liggen.

Waar laat jij je door meeslepen? Zo meeslepen, dat het een al te grote plaats in je leven krijgt en gevolgen heeft die levensgeluk in de weg staan? Daar was in het verleden ook dat vasten voor bedoeld. Vanzelfsprekende gewoonten worden even doorbroken om ruimte te scheppen voor iets anders. Vasten is heel lang een gewoonte geweest in de rooms-katholieke traditie. Maar de laatste jaren hebben steeds meer mensen de waarde van vasten herontdekt. Ook in de protestantse traditie.

Ga jij dit jaar ook ergens in vasten? Bekend zijn inmiddels allerlei voorbeelden van vasten. Zo is er het laten staan van alcohol – een paar weken lang niet uit gewoonte, bijna onnadenkend dat biertje uit de koelkast pakken. Of vasten in de sociale media – niet ieder moment van de dag je leven laten onderbreken door geluidjes van je telefoon. Dat schept de mogelijkheid om de dingen die je doet met meer aandacht te doen. En je kunt ook bewust bepaalde andere dingen doen, waar je je gewoonlijk geen tijd voor gunt.

Bijvoorbeeld elke dag iets lezen. Korte tekstjes, die de rest van de dag met je meegaan en waar je soms wat over kunt lopen mijmeren.

Vorig jaar las ik elke dag een stukje uit het boek Oog in oog. Christelijke mystiek in woord en beeld. Voor dit jaar heb ik iets anders uitgekozen. Ik ga stukjes lezen van Thomas a Kempis. Hij leefde in de Middeleeuwen (ca. 1380-1471) en heeft in mijn woonplaats Zwolle gewoond. Hij behoorde tot de Moderne Devotie, een richting binnen de kerk van die tijd, die streefde naar vernieuwing. Daar is veel over geschreven. Vorig jaar verzorgde Erik de Boer, een van mijn collega’s uit Kampen, samen met anderen een informatief en kleurrijk (veel plaatjes) boek: De Moderne Devotie. Spiritualiteit en cultuur vanaf de late Middeleeuwen. Inspirerend om te lezen is ook de door Mariska van Beusichem – nu stadspastor van Zwolle en dominee in Nagele – samengestelde glossy Thomas a Kempis (2013). Op de achterkant daarvan lees ik in grote letters: ‘Zorg voor je ziel’. Ja, daar gaat het om in de veertigdagentijd. Ergens anders las ik ooit dat de veertigdagentijd is bedoeld om ‘het tuintje van je ziel aan te harken’.

Thomas is beroemd geworden door zijn boek De navolging van Christus. Dat is in allerlei talen vertaald – er wordt wel gezegd dat het lange tijd het op de Bijbel na meest vertaalde boek was. In de glossy lees ik over dit boek: ‘Thomas lijkt meteen het hoogst haalbare resultaat te willen, als een voetbaltrainer voor wie uitsluitend de doelpunten tellen’. Maar ook: ‘Pas later viel me op hoeveel lofzangen op de liefde het boek óók bevat’.

Thomas heeft veel meer geschreven. De laatste jaren zijn allerlei teksten van hem vanuit het Latijn in het Nederlands vertaald. Dat heeft geleid tot boeken als De rozentuin (2009), Het leliedal (2010) en Gelijk het gras. Erkenning van onze broosheid (2011).

Maar misschien denk je nu: daar gaat die dominee weer! Daar valt weer een boekenkast om. We wisten al lang dat hij boeken leest. Maar dat lezen is helemaal niks voor mij! Hou op zeg, ik moet er niet aan denken! Sorry: ik kon het weer eens niet laten. Maar gelukkig is lezen niet verplicht (hoewel… op de middelbare school soms wel).

Je kunt ook iets anders doen! Iets waar je blij van wordt; iets wat je inspireert. Met aandacht iets doen in je tuin en luisteren wat uit de stilte in jezelf opborrelt. Een wandeling op een plek die je lief is en met aandacht kijken naar het licht. Elke dag een kaartje in de brievenbus doen bij mensen die wel wat steun kunnen gebruiken.

Tot slot: we zagen dat de zondagen niet meetellen in de veertigdagentijd. Die zondagen zijn als het ware oases in de woestijn. Dan wordt er niet gevast. Want de zondagen lopen vooruit op het feest van Pasen dat komt.

Ik sluit af met nog een paar zinnen uit de glossy: ‘Zodra ik me bekommer om “mijn” liefde, om “mijn” nood eraan en misschien zelfs om “mijn” tekortkomingen in “mijn” liefdesbetuigingen jegens “mijn” geliefde, vergeet ik dat ware liefde niet iets is dat je kunt krijgen, hebben of verliezen, maar dat je het kunt zijn – of niet kunt zijn. Liefde is niet maakbaar: liefde is leefbaar. Sociaal, gericht op anderen. Op het werk, bij de stomste klusjes. Dag in, dag uit. Van liefde kom je in beweging, liefde geeft je vleugels, liefde tilt je op uit de zwaartekracht, maakt dat je aldoor wilt blijven geven en niet werkelijk moe wordt, omdat je ervan doordrongen bent dat er een zon buiten en een lichtbron binnen zijn die in hun goddelijke zorgzaamheid precies weten wat jij op welk moment nodig hebt om zelf te kunnen stralen; voor wie dan ook’ (Désanne van Brederode).

Dromen, ladders en de Bijbel lezen.

In ‘Letter & Geest’, de weekendbijlage van het dagblad Trouw, van 12 januari las ik een klein gesprek met Inez van Oord, de oprichtster van het tijdschrift Happinez. Het gaat over een droom die ze had: ‘De aarde was een balletje in een soort eiersnijder. Die sneed de aarde in honderden stukjes. Op ieder stukje stond een mens alleen. Op een eigen eiland, een eigen wereld. Sommige mensen waren aan het juichen. Het leek of ze iets hadden gewonnen. Veel geld misschien, of een rechtszaak of ze hadden hun eigen gelijk gehaald. Maar ze vierden hun geluk alleen. De anderen keken toe, vanaf hun eigen eiland. De wereld viel totaal uiteen. Ik dacht, hoe gaan we dit bij elkaar houden? Op dat moment zag ik dat er touwen en ladders voor het oprapen lagen. Er lag ook cement. En toen werd ik wakker’.

In het gesprek duidt ze zelf de droom. Ze ziet er een soort wake-upcall in: ‘We zitten soms zo op ons eigen eilandje. We zijn met onze veiligheid bezig, met ons eigen belang. Die wereld kan ook heel fijn en vertrouwd zijn. Maar als alles los van elkaar komt te staan, is er geen samenhang meer. Terwijl de oplossing van een probleem soms op een ander “eiland” ligt.

We hebben ladders nodig, bruggenbouwers, mensen die individuen, organisaties, instellingen, groepen en alle andere gelijkgestemde “eilandbewoners” met elkaar kunnen verbinden. Zodat we kunnen luisteren naar elkaar en durven openstaan voor andere ideeën’.

Bij die droom en die ladder moest ik terugdenken aan Inez van Oords boek Rebible. Dat verscheen in 2017. In dat boek herleest ze een reeks bekende Bijbelverhalen, waar ze in haar jeugd mee is opgevoed. En ze verwoordt hoe ze die verhalen nu leest. Zó leest, dat de verhalen nu vandaag betekenis krijgen in haar leven. Daarom heeft ze haar boek de ondertitel gegeven: ontdekking van vergeten verhalen.

Een van die bekende verhalen is dat van de Jakobsladder uit Genesis 28. Jakob heeft zijn broer Ezau bedrogen. Die is natuurlijk heel boos en Jakob slaat voor zijn broer op de vlucht. Onderweg valt de nacht. Jakob is moe, hij gaat liggen, legt zijn hoofd op een steen en dan komt de slaap. Hij krijgt een droom: over een ladder die op de aarde staat en tot in de hemel reikt. Engelen van God gaan omhoog en dalen af over de ladder.

In Rebible geeft ze van dit verhaal een psychologiserende duiding (blz. 88-89). Ze schrijft over een ‘innerlijke ladder’ die trede voor trede opklimt en je hart lichter en vrijer maakt. Helemaal onderaan de ladder staan diepe en zware gevoelens als depressie, wanhoop, schuld, onwaardigheid, wraak en boosheid. Via zorgen, twijfel, verveling, tevredenheid, hoop, optimisme, enthousiasme/geluk en passie kom je helemaal bovenaan de innerlijke ladder uit bij: liefde.

Ik vind dat een mooie duiding van de droom van Jakob. Een interpretatie waardoor we de droom van Jakob betekenis kunnen geven in relatie tot ons eigen leven. Want veel van de gevoelens die zo worden verbonden aan treden op de ladder kennen we ook in ons eigen leven. Wie is nooit boos? Wie is vrij van schuld? Wie kent nooit zorgen? Wie leeft zonder hoop? Het is een manier om Bijbelverhalen te verbinden met je eigen leven. Bijbelverhalen lees je immers altijd door je eigen ogen en hoor je met je eigen oren. En ze krijgen betekenis door ze te verbinden met wat er in je eigen leven gebeurt.

Inez van Oord schreef haar boek Rebible in samenspraak met haar broer die dominee is. Dat doet me ook beseffen, dat samen de bijbel lezen heel verrijkend kan zijn. Iemand anders kan een Bijbelverhaal anders lezen dan jij dat doet. Zo kunnen nieuwe betekenissen en perspectieven die in het verhaal liggen zich voor je openen.

Dan komt het er wel op aan de bijbel als een spiegel te laten zijn waar jij inkijkt. En je onbevangen open te stellen voor wat je ziet, voor wat je leest en hoort. En dat niet in de weg te laten staan door wat we denken te weten, door wat volgens ons hoort of passend is. Want dan lopen we het risico dat we de bijbel laten buikspreken.

Zo is bijbel lezen ook een hele kunst – maar het is het waard!

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen

Laad meer