De wegen van een hert (1)

In de drie voorgaande nummers van ons kerkblad schreef ik over Psalm 42-43. Over het bij elkaar horen van die twee Psalmen en over berijmingen van Psalm 42. In het vorige nummer ging het over de plaats van Psalm 42 en 43 in de liturgie. Daarbij ontdekten we de verbinding tussen Psalm 42 en de doop. Dat verklaart waarom er in oude doopkapellen vaak afbeeldingen van herten zijn te vinden.

In het vorige nummer kondigde ik al aan dat ik nog niet klaar was met Psalm 42. Het hert uit de Psalm is op allerlei plaatsen terug te vinden in de moderne Nederlandse poëzie. Ik zal daar in dit nummer én in het volgende nummer een paar voorbeelden van geven.

Ik begin met de dichter Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning). Tussen 1932 en 1934 schreef hij dertig gedichten, gebaseerd op Psalmen. Daarbij bevindt zich ook een gedicht in negen strofen over Psalm 42-43. Ik citeer vier van de negen strofen (die zouden zijn te zingen op de welbekende melodie van Psalm 42):

 

‘Als een hert door dorst bevangen,

Naar de frisschen sprengen hijgt,

Zucht mijn ziel in heet verlangen

Tot den Heer, die toeft en zwijgt.

Ja, mijn ziel schreeuwt tot mijn God:

Levensgever, laat mij tot

Uwe woning mogen naadren,

Weder met uw volk vergaadren.

 

Niets dan tranen zijn mijn spijze

En mijn drank bij dag en nacht,

Daar zij spottend op mij wijzen.

Waar is God, dien gij verwacht,

Zeggen zij, en diep gekrenkt,

Zucht mijn ziel, als ze overdenkt,

Hoe ik bij ’t gejuich der vromen

Spelend voor den Heer mocht komen.

 

[…]

Balling ben ik van uw hooge

Huis en van uw heilig land.

Daarom is mijn ziel gebogen,

Dort mijn lijf in ’t brandend zand;

Daarom schreeuwt mijn hart en mond,

Als uw stormwind vaart in ’t rond,

Als uw wateren uit wolken

En rivieren mij omkolken.

 

[…]

Laat uw recht en uw gerichten

Tusschen mij zijn en dit rot.

En beschaam hun aangezichten

Door uw nederkomst, mijn God.

Red mij van bedrog en haat;

Ruk mij weg uit list en kwaad,

Laat niet toe dat wreede mannen

Mij omsinglen en verbannen’.

In dit gedicht blijft De Mérode enerzijds dicht bij de tekst van de Psalm zoals we die in de bijbel vinden. Anderzijds komen er ook zinnen en woorden in voor, die we zo niet vinden in de bijbel. Juist die zinnen – vooral die van de laatste strofe – maken dit tot een aangrijpend gedicht, dat de situatie weerspiegelt waarin de dichter zich bevindt. De Mérode werkte tot februari 1924 als onderwijzer in het plaatsje Uithuizermeeden, in het hoge noorden van de provincie Groningen. Op de avond van de 26e februari werd hij gearresteerd vanwege wat toen heette ‘een jongenszaak’ en werd daarvoor veroordeeld. In oktober 1924 kwam hij weer op vrije voeten. Zijn beroep van onderwijzer zou hij nooit meer uitoefenen. Die situatie klinkt door in de wijze waarop hij zich Psalm 42-43 toe-eigent.

Recent hebben meerdere Nederlandse dichters bij alle 150 Psalmen een gedicht gemaakt. Drie wil ik er hier noemen. Ze maken zichtbaar hoe breed de wegen van een Psalm kunnen uitwaaieren.

Het eerste gedicht is van de hand van de ‘geboren Amerikaan’, maar ‘Nederlander van keuze’ Lloyd Haft. Zijn gedicht naar Psalm 42 luidt als volgt:

 

‘Als een hert naar het water

hijgt mijn hart:

ik wil u levend weten, niet

dood zoals zij zeggen.

In mijn dorst is mijn ziel,

mijn dorst naar de levende

in wie ik op zou gaan,

ik die zou voorgaan:

op naar uw huis.

Niemand die u loven zou

als ik, als ik kon.

Ben ik hier in dieptes

die u nog niet ziet?

Boven mijn hoofd gaat altijd

hun gebulder, gebaren.

Ik wil het aan de stenen vragen:

word ik hier geweten?

Dieper dan een dolk

in mijn merg steekt uw stilte –

dood zouden zij zeggen, maar ik hoop:

niemand die u loven zal als ik.’

 

Lloyd Haft heeft zelf een moderne Psalm gemaakt naar aanleiding van de bijbelse Psalm 42. Hij pakt verschillende elementen uit de bijbelse Psalm op: het hert en het water, de dorst en het verlangen, het opgaan naar uw huis, de vraag ‘Waar is dan je God?’ en het loven van God. Maar hij maakt er een nieuwe Psalm van, die direct aansluit bij het levensgevoel van deze tijd. Worstelde Luther met de vraag naar een genadige God, voor veel mensen vandaag is de vraag: bestaat God eigenlijk wel? Waar is Hij? Dat klinkt door in zinnen als: ‘ik wil u levend weten, niet dood zoals zij zeggen’. En: ‘dieper dan een dolk in mijn merg steekt uw stilte – dood zouden zij zeggen’. Maar de dichter blijft hopen: ‘niemand die u loven zal als ik’.

Ook Anton Ent (een pseudoniem van Henk van der Ent – hij gebruikt ook het pseudoniem Marieke Jonkman) maakte een reeks van 150 gedichten bij de alle Psalmen. ‘Entiteiten’ noemt hij ze: ze brengen zijn persoonlijke beleving bij het lezen van de Psalmen onder woorden. Entiteit 42 heeft als titel ‘Loflied’ en luidt dan vervolgens:

 

‘Het loflied op de Maker brengt bijeen

wat nu vervallen en verworpen is.

 

Hymnen bouwen de kerk van mijn jeugd

om mij heen, die oude Breepleinkerk.

 

Het plafond bood geborgenheid,

de kroonluchter waarheid,

de witte muur vrijspraak,

ik was gekleed in kleding van licht.

 

Ik zing het loflied op de Maker

Dat orde in de chaos schept.’

 

Anders dan bij Lloyd Haft komt geen enkel beeld van de bijbelse Psalm meer terug. De lezing van Psalm 42 voert de dichter terug naar zijn jeugd: de Breepleinkerk in Rotterdam. Met genegenheid denkt hij eraan terug: geborgenheid, waarheid, vrijspraak en licht. Toch is het een tijd die voorbij is: het is vervallen en verworpen. Anton Ent noemt zichzelf op dit moment agnost.

Ten slotte de Zwolse predikant Siebren van der Zee. Zijn ‘persoonlijke ver-woording’ bij Psalm 42 luidt:

 

‘Leven op verlangen

 

zoals het hert niet weet

dat het zijn hals strekt

naar water om te leven

zo is mijn verlangen naar U

 

nu tranen mijn brood zijn

raak ik ver van mijn bron

daarbij die neerbuigende vragen:

“waar is nu Hij-die-is”?

 

waar is de tijd dat ik

kind bij U aan huis was

een lied vond in de nacht

toen alles in mij storm liep?

 

hoe kunt U, God, vergeten

de mens die op U hoopt?

…..

hoe kun jij, mens, verliezen

de God die jou eens zag?’

Een gedicht om meer dan eens te lezen en over na te denken!

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen

Geraadpleegde literatuur:

–    Willem de Mérode, Verzamelde gedichten, Baarn 1987, 1153-1155.

–    Hans Werkman, Bitterzoete overvloed. De wereld van Willem de Mérode, Soesterberg 2011.

–    De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft, Amsterdam 2003, 46.

–    Anton Ent, Entiteiten, uitgave in eigen beheer, nummer 42 (later zijn de gedichten ook uitgegeven als: Anton Ent, Man van twee wegen. Gedichten geënt op de Psalmen, ’s-Hertogenbosch 2007).

–    Siebren van der Zee, Psalmen vandaag. Persoonlijke ver-woording bij veelal knoestige psalmen, Gorinchem z.j., 47.