«

»

Ubi Caritas

Aan het weer van de afgelopen weken hebben we het al gemerkt: de zomer is voorbij. De scholen zijn weer begonnen. En ook in de kerk gaat een nieuw seizoen van start. Op de drempel van dat nieuwe seizoen kijk ik nog even terug naar de zomer.

 

Ik heb de vakantie doorgebracht in België. Om precies te zijn: de Ardennen. Op straat en in de winkel wordt meestal Frans gesproken. Een taal die ik helaas niet goed beheers. Gelukkig deed een jongeman die als gids optrad bij ons bezoek aan de grotten van Remouchamps erg zijn best om ook in het Nederlands te vertellen, net als de banketbakker die enthousiast liet zien hoe hij zijn bonbons en andere chocolade traktaties maakt.

 

Tegenover de supermarkt in het kleine stadje waar we verbleven ligt de begraafplaats. Wanneer ik tijd heb, loop ik wel eens een begraafplaats op en loop ik een rondje langs de graven. Ik lees de namen, de jaartallen en de teksten. En ik kijk naar foto’s die op de graven staan. Het doet me altijd beseffen dat ieder mens uniek is.

 

Sommige begraafplaatsen zijn mooi. Zo was ik eerder dit jaar op de begraafplaats van Vlieland. Ik zag hoe de wind van zee en het schurende zand langzaam namen en teksten op de zerken doet vervagen. Maar ik zag ook, hoe er – net als in Luttelgeest – zorgvuldig wordt omgezien naar de laatste rustplaats van geliefden.

 

Nadat ik de boodschappen in de auto heb gezet, steek ik de weg over en loop de begraafplaats op. Ik weet niet wat ik zie. Een klein kapelletje in het midden van de begraafplaats is een bouwval. Er zijn stukken zeil met dikke touwen op het dak gebonden – blijkbaar om lekkage te voorkomen. De deur is op slot. Een raam is ingegooid. Links van het pad bevinden zich enkele graven uit de laatste jaren. Hier en daar staan er bloemen op. De rest van de begraafplaats is een ravage. Overal zijn stenen scheef gezakt en gebroken. Aan de rechterkant zie ik dat pal naast de begraafplaats de auto’s van de hulpdiensten zijn geparkeerd. Een van de brandweerwagen staat zover naar achteren dat zijn trekhaak bijna letterlijk boven een van de graven zweeft. Hoe bestaat het dat dat mogelijk is?!

 

Helemaal in de uiterste hoek aan het eind van de begraafplaats is nog een recent graf. Het blijkt de laatste rustplaats van een kind te zijn. En ik denk: waarom is voor deze plaats gekozen? Zodat degenen die het graf bezoeken met de rug naar de rest van de begraafplaats kunnen staan en even niet hoeven zien wat voor een treurige bouwval het is?

 

Er komt een lied in me op: ‘Ubi caritas et amor, ubi caritas, Deus ibi est’ – Waar vriendschap en liefde is, daar is God (Liedboek 568). De ervaring waar dat lied van spreekt kennen we allemaal. Gebaren van liefde en trouw, woorden van zorg en vriendschap, weerspiegelen iets van God. Dat zie ik ook terug in de zorgvuldige wijze waarop dat kindergraf aan het eind van de begraafplaats is onderhouden.

 

Maar hoe zit het met de rest van de begraafplaats? Die bouwval? (die ook weerspiegelt hoezeer dat stadje in verval is: veel winkels zijn gesloten; gebouwen worden niet meer onderhouden). Rond de verzakkende graven bespeur ik geen liefde en geen vriendschap meer, geen tekenen van trouw en zorg.

  

Is God daar dan niet meer? Nee, dat geloof ik niet. Wanneer menselijke liefde, trouw en zorg ontbreken, wil dat nog niet zeggen dat God afwezig zou zijn. Want Gods liefde en trouw zijn niet afhankelijk van onze menselijke liefde en trouw. In de kerk geloven we dat iedereen ertoe doet. Daarom zijn ook al die mensen die al lang vergeten zijn, geborgen in de handen van God.

 

Met hartelijke groeten

ds. Dirk van Keulen