okt 04

De kerk in ’t nieuwe land (2)

In het vorige nummer schreef ik over het oude kerkblad De kerk in ’t nieuwe land. En ik kondigde aan in dit nummer er nog iets meer over te vertellen.

Het wekelijks verschijnende blad is vooral een informatie- en mededelingenblad. Aanvankelijk gaat het vooral om informatie met betrekking tot de kerk in Emmeloord en die van Luttelgeest-Kuinre. Later krijgen ook Ens en Marknesse een eigen plaats in het blad.

Dan kunnen we kunnen bijvoorbeeld lezen wanneer er waar catechisatie wordt verzorgd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen beneden 15 jaar, ‘jongens en meisjes van 15 jaar en ouder’, volwassenen en belijdeniscatechisatie.

Ik ontdek dat de jeugd behalve voor catechisatie ook nog op een ander moment in de week bijeenkomt. Er is in Luttelgeest namelijk een jeugdclub ‘In ’s Konings Dienst’ en een jongeliedenvereniging ‘Immanuël’. In elk kerkblad kunnen we lezen wat het thema van die week is. Waar zijn die clubs gebleven?

Ook staat er in elk nummer informatie over de ‘kerkelijke stand’: nieuwe leden van de kerk (waar komen ze vandaan? dooplid of belijdend lid?) en leden die weer vertrekken en elders gaan wonen.  Er was nog geen privacywetgeving!

In het nummer van 15 januari 1948 lees ik, dat de gemeente van Luttelgeest-Kuinre in 1947 is gegroeid van 66 naar 86 leden. Ds. Brunsting voegt toe: ‘Zeker, het getal is niet groot, maar het had ook anders gekund!’ Ik denk: een groei van zo’n dertig procent… – ik zou mijn ogen niet geloven!

In vele nummers vind ik ook in grote letters gedrukt: ‘Denk aan de dagsluitingen’. Het was me niet gelijk duidelijk wat daarmee wordt bedoeld.

Maar in het nummer van 9 oktober 1947 schrijft eindredacteur De Jong: ‘Het is me opgevallen dat de dagsluitingen in het ene kamp veel beter bezocht worden dan in het andere. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, maar kan niet één van de oorzaken, en dan een hele belangrijke zijn, dat we anderen niet opwekken mee te gaan? Laten we allen doen wat we kunnen om onze kamergenoten mee te nemen naar de dagsluiting. We hebben een roeping tegenover hen’.

Een klein citaat als dit roept een beeld op van het leven in de polder anno 1947. Er zijn blijkbaar nog onvoldoende boerderijen en huizen beschikbaar voor de mensen die wonen en werken in de polder. In plaats daarvan wonen mensen bij elkaar in ‘kampen’ en delen met elkaar een kamer. En geklaag over te weinig mensen bij de kerkelijke activiteiten is blijkbaar niet iets wat alleen eigen is aan onze tijd.

In het nummer van 25 september 1947 lees ik dat ds. Brunsting van Kuinre naar Luttelgeest is verhuisd. Het bericht leest als een tijdsbeeld: ‘De pastorie in Luttelgeest is in bewoonbare staat, mijn vrouw en ik verwachten nu de gasten. Vanuit Kuinre is bezoek moeilijker geworden, voor de meeste kampen gemakkelijker. ’t Treft wel, dat juist het dichtstbijgelegen kamp Luttelgeest II wordt opgeheven. Maar de meeste bewoners gaan naar Luttelgeest I, dat ook dichtbij genoeg ligt, om de pastorie te bezoeken. Het is vanaf de straat de vierde woning in de gezinsbarakken. De nieuwe woning is heel wat gerieflijker dan de oude, helaas wat minder ruim. Het aantal inwoners van Luttelgeest zal nu wel snel stijgen, met de opbouw van de tweede rij gezinsbarakken is men druk bezig, terwijl Luttelgeest II, het stenen kamp, ook zal worden omgebouwd tot 14 woonhuizen. Als het zover is, lijkt het al wat op een dorpje. Terwijl het volgend jaar de uitgifte van boerderijen wellicht ook in deze omgeving zal vallen’. Over die uitgifte van boerderijen schreef Eva Vriend haar mooie boek Het nieuwe land.

Het blad De kerk in ’t nieuwe land wordt ook weleens voor andere doeleinden dan informatievoorziening gebruikt. In het nummer van 8 mei 1947 lees ik: ‘We horen nogal eens klachten over het niet in handen krijgen van de Kerkbode in de kampen. Toch wordt, voor zover wij kunnen nagaan, de Kerkbode geregeld in de kamers verspreid. Het schijnt echter dikwijls te gebeuren, dat men een krant grijpt, om zijn boterhammen in te verpakken. Nu, laat ieder zijn medebewoners van de kamer dan verzoeken, daarvoor de Kerkbode niet te gebruiken’. ‘En’, kan Brunsting niet nalaten toe te voegen: ‘een nog probater middel is: abonneer U op de Kerkbode’.

Een van de mooiste berichten die ik bladerend in het oude kerkblad tegenkwam, gaat over een van onze huidige gemeenteleden. Op de achterzijde van het eerste nummer staat een advertentie, geplaatst door Y.Tj. Reitsma en R. Reitsma-Boersma, wonend: ‘De Kúnder, Gezinsbarak 1’. De advertentie met de datum ‘20 Jannewaris 1947’ is opgesteld in het Fries:

‘Mei blidens en tankbrens dogge wy to witten de berte fan in Famke,

Janke’

In het nummer van 13 februari 1947 komen we haar nog een keer tegen. Nu onder de rubriek ‘Kerkelijke stand’. Ik kan het niet laten het bericht, dat geschreven zal zijn door ds. Brunsting, in zijn geheel te citeren:

‘9 Febr. werd gedoopt Janke Reitsma, geb. 20 Jan. ’47. Bij deze dienst, op een zoo bar-kouden Zondag, was het leeftijdsverschil tusschen de oudste en de jongste kerkganger niet minder dan 91 jaar, daar de wed[uwe] Pereboom, zooals gewoonlijk tweemaal den dienst bijwoonde. Wel een beschamend voorbeeld voor hen, die wel eens al te spoedig thuis blijven. In de week moeten zij toch ook naar hun werk? Dan zult ge toch niet thuis blijven, als de Heiland u roept?’

Het was inderdaad koud op 9 februari 1947: zowel ’s nachts als overdag matige vorst.

Tot zover over het blad De kerk in ’t nieuwe land. Ik weet niet hoe lang dit blad heeft bestaan. Er is een moment gekomen, dat de dorpskerken in de polder besloten elk hun eigen blad te maken. Er zal een moment komen dat ook die blaadjes hun langste tijd hebben gehad. We zullen wel toegaan naar informatie via een website.

Met hartelijke groeten, ds. Dirk van Keulen.