dec 31

Na de feestdagen – De wegen van een hert (2)

Op het moment dat ik dit schrijf, is het een paar dagen voor kerst. Het feest waarop we de geboorte van Jezus vieren en erbij stilstaan hoe God ons nabij wil zijn. De evangelist Johannes noemt Christus ook het licht voor de mensen en het licht dat schijnt in de duisternis. Na alle barbarij die we het afgelopen jaar en de afgelopen dagen – die moordpartij op een school in Pakistan! wat is het erg – hebben zien gebeuren, gaat er een zin in mijn hoofd rond: het licht heeft het koud. Die zin komt uit een gedicht van Hans Andreus. Misschien komt die zin wel terug in de overweging op kerstmorgen.

Op het moment dat u of jij dit leest, hebben we ook de jaarwisseling achter de rug. Laat ik – al heb ik zelf op het moment het gevoel dat ik wel erg op de dingen vooruit loop – de kans aangrijpen jullie allen alle goeds en Gods zegen toe te wensen voor het nieuwe jaar. Het zijn verwarrende en onzekere tijden waarin we leven. We weten niet wat het jaar zal brengen. Laten we binnen de gemeente én in het dorp naar elkaar omzien en bidden om vrede.

Dan nog een laatste keer over het hert uit Psalm 42. Ik schreef er de vier voorgaande nummers ook over. In het laatste nummer ging het over gedichten van Willem de Mérode, Lloyd Haft, Anton Ent en de Zwolse dominee Siebren van der Zee. Ik kondigde toen al aan, dat ik in dit nummer nog een paar gedichten naar voren zou brengen, waarin het hert uit Psalm 42 zijn weg heeft gevonden.

Ik begin met een gedicht van Lode Bisschop. Hij dwaalt weg van de Psalm en gaat op de loop met het beeld van de jacht, dat – zo zagen we in een van de vorige afleveringen van deze serie – in de bijbelse Psalm 42 niet voorkomt, maar een vondst was van de Psalmberijmers. Toch blijft de thematiek wel dicht bij de bijbelse Psalm 42. Het gedicht loopt uit op het verlangen naar God:

‘Psalm

 

Zoals een hert dorst naar water

zo verlang ik naar U, o God

ik ben vastgeklemd in een strik

in het bos toen ik met rilde benen

wilde vluchten naar U: de boze

boswachter heeft de strik tussen

twee groene bomen gezet en ik

snoof water en strekte mijn gewei

en rende over mos en struiken naar

de levendige bron, maar mijn voeten

vielen in des bozen val en nu

hunker ik te meer, mijn gewei laat

van mijn hoofd los, mijn tong

schiet uit en mijn zachte ogen staan

ver, ik hoor de honden jagen achter mij

aa en de kraaien zwermen boven mij

om en ik hijg naar het echte water …

 

alzo hijgt mijn ziel naar U, o mijn God’

 

Het hert uit Psalm 42 heeft ook zijn weg gevonden in seculiere poëzie. Een treffend voorbeeld is een gedicht van Peter van Lier. Hij heeft het de titel gegeven: ‘Psalm 42’. Die Psalm zat dus in zijn achterhoofd toen hij het volgende gedicht schreef. Het staat helemaal los van de bijbelse Psalm. Alleen het beeld van het hert komt er nog in voor:

‘Wanneer een moeder, even afgeleid door een koopje onder de koopjes,

haar kinderen uit het oog verliest in het onoverzienbare winkelcentrum zal het smeken van haar ogen,

onder het slaken van kindernamen en gilletjes, overeenkomstig het: “gelijk een hinde die naar waterbeken smacht,”

slechts uit zorg voor haar kroost aanwezig op de vlakte verder dan het oog reikt, zal, overeenkomstig het dierlijke rillen, de wanhoop zo hartverscheurend moeten zijn,

dat vergeving, bij dit weer, niet kan uitblijven, als het zelfs bij de meest goedaardigen alleen maar weerzin wekt’.

Als derde voorbeeld een gedicht van M. Vasalis:

‘Cannes

 

In een woestijn van zon, dicht langs de zee

staan de platanen in een brede allee:

dorstige herten, plotseling betoverd

en in hun ren naar ’t water star gebleven,

het groene lichaam wit gevlekt, hoornen geloverd,

het wit gewei breed opgeheven.

 

Langslopend, te gezond, te naakt

en door een lichte wijn in een soort droom bewegend,

besef ik plotseling de enige werkelijke zonde:

dat ik door het verwonderlijkste nauw geraakt,

zonder besef door het bestaan gezegend

en door de schadelijkste dingen nauw geschonden,

ver van de werkelijkheid ben geraakt’.

 

‘Cannes’ is een tweestrofig, rijmend gedicht van respectievelijk zes en zeven regels. De witregel markeert de overgang van de buiten- naar de binnenwereld. Een, laten we maar aannemen, vrouwelijke ik-figuur, wat aangeschoten door de witte wijn, begeeft zich over een allee in het Zuid-Franse Cannes, begroeid met platanen. De platanen met hun takken doen de vrouw denken aan ‘dorstige herten’ (komen ze uit Psalm 42?) die als het ware in een fotoshot zijn bevroren voordat zij het water konden bereiken. Daarmee geconfronteerd overvalt haar ‘plotseling’ een besef van zonde: altijd is zij gedachteloos aan de wonderlijke en nadelige kanten van het bestaan voorbij gestapt en zo ver van de echte werkelijkheid geraakt.

Ik sluit af met een gedicht van Karel Eykman. Misschien kent u zijn naam nog van de kinderbijbel die hij vroeger heeft geschreven. Eykman behoort tot die groep, die bij alle honderdvijftig Psalmen een gedicht heeft gemaakt. Ze zijn gebundeld in een boek met de prachtige titel Een knipoog van u zou al helpen. Ik ga over zijn gedicht bij Psalm 42 niks zeggen. Het spreekt voor zich:

‘Het hijgend hert

 

Stel, je bent een hert.

Zitten ze met honden en geweren achter je aan

weet je nog maar net te ontsnappen

ren je voor je leven de longen uit je lijf.

Sta je na te hijgen buiten schot en buiten adem

dan zit er alleen maar in je kop:

water, nu eerst water, alleen maar water.

De rest komt later wel.

 

En ik, waarom zit ik in de zenuwen en ben ik in de war?

Alles zit mij tegen, het klopt niet meer in mijn hart.

Het klikt niet meer tussen mij en mijzelf.

 

Stel, je bent een mens.

Zitten ze scheldend en schreeuwend achter je aan

om je op je ziel te trappen

red je het niet meer, heb je het helemaal gehad.

‘Wat heb jij nog aan God? Jij bent toch godvergeten?’

Dan maalt alleen maar in je hoofd:

God, nu eerst God, alleen maar God.

De rest komt later wel.

 

En ik weet dan waar het op aankomt in mijn hart en ziel.

Dan kan ik ertegen, dan ben ik op mijn plek.

Zit dat goed, dan gaat het me goed’.

 

Met hartelijke groeten,

ds. Dirk van Keulen

 

Geraadpleegde literatuur:

–    Jan de Bas, En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. Psalmen in de Nederlandse poëzie vanaf 1900, Kampen 2010, 23 (Lode Bisschop) en 110 (Peter van Lier).

–    Karel Eykman, Een knipoog van u zou al helpen. Bij iedere psalm een gedicht, Zoetermeer 2013, 56.

–    M. Vasalis, De vogel Phoenix, Amsterdam 1992 (19e druk), 23.